1. Het is verboden in of vanuit een inrichting:

    1. de orde te verstoren;

    2. te verblijven na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2.23, eerste lid of artikel 2.24.

  2. Het is de houder van een inrichting als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, verboden in die inrichting toe te laten of te laten verblijven niet tot zijn gezin behorende personen die naar het oordeel van de burgemeester misbruik van alcoholhoudende drank plegen te maken en wier namen als zodanig schriftelijk door de burgemeester aan die houder zijn opgegeven.

  3. Het is aan een persoon, wiens naam ingevolge het derde lid door de burgemeester aan de houders van inrichtingen als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, verboden zich in een dergelijke inrichting te bevinden nadat hij schriftelijk door de burgemeester van dit verbod in kennis is gesteld.

  4. Het verbod bedoeld in het tweede lid geldt voor maximaal een jaar.