1. Het is verboden in of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te bevestigen of te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor:

    1. overlast kan worden veroorzaakt voor gebruikers van het bouwwerk, het open erf of terrein;

    2. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, rook, roet, walm, stof, vocht of licht wordt verspreid, of overlast wordt veroorzaakt door geluid of trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, door licht, elektrisch licht daaronder begrepen, door het houden van dieren of door ongedierte, ratten en muizen daaronder begrepen, of door verontreiniging van het bouwwerk, het open erf of terrein;

    3. brand- of ander gevaar wordt veroorzaakt;

    4. het gebruik van vluchtwegen wordt belemmerd.

  2. Het college kan terreinen aanwijzen - open erven en wateren daaronder begrepen - waar het verbod, bedoeld in het eerste lid onder a, b en d, niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, toestellen of machines, - recreatietoestellen en bouwmachines daaronder begrepen -, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van hinder.

  3. De in het tweede lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betreffen:

    1. het maximale geluidsniveau;

    2. de situering van hinderbronnen, geluidhinderbronnen daaronder begrepen;

    3. de frequentie en tijden van gebruik.

  4. Dit artikel is niet van toepassing op inrichtingen als bedoeld in de Wet milieubeheer zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, voor zover het betreft gevaar, schade of hinder als bedoeld in die wet.