-
Het is verboden op de weg deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.
-
Een ieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval, waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis, waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
-
Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen, wegen of weggedeelten, wanneer deze door of vanwege het bevoegd gezag in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet.
-
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.
-
Het is verboden om, wanneer een voorval, gebeurtenis of samenscholing als bedoeld in het tweede lid plaatsvindt, tezamen met anderen zich in de richting daarvan te begeven als daarbij voorwerpen en/of stoffen worden medegevoerd, die plegen te worden gebruikt of geschikt zijn om te worden gebruikt bij wanordelijkheden, zoals een ketting, knuppel, helm of bivakmuts.
-
Het verbod in het vijfde lid is niet van toepassing als de in dat lid bedoelde voorwerpen kennelijk niet bestemd zijn voor het daar aangeduide gebruik.
-
Het bepaalde in de leden 1 t/m 4 geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
Algemene plaatselijke verordening voor Delft BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 16-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).
Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde
Afdeling Bestrijding van ongeregeldheden
Afdeling Betoging
Afdeling Verspreiden van gedrukte stukken
Afdeling Vertoningen e.d. op de weg
Afdeling Bruikbaarheid en aanzien van de weg.
Afdeling Veiligheid op de weg.
Afdeling Evenementen
Afdeling Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf.
Afdeling Toezicht op speelgelegenheden
Afdeling Bepalingen over horeca-exploitatie
Afdeling Bepalingen over paracommerciële rechtspersonen
Afdeling Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Veiligheidsrisicogebieden, gebiedsontzegging, cameratoezicht op openbare plaatsen en woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet.
Hoofdstuk Seksinrichtingen, escortbedrijven, straat- en raamprostitutie
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Afdeling Parkeerexcessen
Afdeling Collecteren
Afdeling Standplaatsen, winkeluitstallingen en overige uitstallingen
Afdeling Snuffelmarkten
Afdeling Gevonden voorwerpen
Afdeling Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden
Afdeling Verbod vuur te stoken
Afdeling Verstrooiing van as
Hoofdstuk Straf-, overgangs- en slotbepalingen
Hoofdstuk
Artikel 2:2
Verstoren openbare orde
-
Onverminderd het bepaalde in de artikelen 424, 426 bis van het Wetboek van Strafrecht is het verboden, op of aan de openbare weg of in een voor het publiek toegankelijk bouwwerk op enigerlei wijze de orde te verstoren, personen lastig te vallen of te vechten.
-
Het is verboden, op een in het eerste lid bedoelde plaats een voorwerp en/of stof, kennelijk meegebracht om de orde te verstoren, bij zich te hebben.
Artikel 2:3
Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen
-
Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats, als bedoeld in artikel 1 Wet openbare manifestaties, een betoging te houden, als bedoeld in de artikelen 3 en 4 wet openbare manifestaties, moet voor de openbare aankondiging van deze vergadering of betoging en tenminste 4 x 24 uur voordat deze zal worden gehouden, de burgemeester hiervan schriftelijk kennis geven.
-
Indien aard of omvang van de betoging of vergadering zulks rechtvaardigen, kan de burgemeester de termijn van 4 x 24 uur bekorten.
-
De kennisgeving moet tenminste bevatten:
naam, adres en telefoonnummer (en zo mogelijk) faxnummer en e-mailadres van de organisator of kennisgever van de vergadering of betoging.
doel van de vergadering of betoging;
datum waarop de vergadering of betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en beëindiging;
de plaats en, voor zover van toepassing, de gewenste route en de plaats van beëindiging;
het aantal te verwachten deelnemers en de wijze van samenstelling van vergadering of betoging;
de middelen van vervoer van de deelnemers aan de vergadering of betoging;
door de organisatie zelf te nemen maatregelen om een ordelijk verloop van de vergadering of betoging te bevorderen.
-
Op de kennisgeving wordt de datum en het tijdstip van inlevering vermeld en een kopie daarvan wordt terstond overhandigd of toegezonden aan degene, die de kennisgeving heeft gedaan.
-
Zo mogelijk na mondeling overleg met degene, die de kennisgeving heeft gedaan, wordt hem zo spoedig mogelijk schriftelijk de volgende stukken toegezonden:
de algemene voorschriften van de burgemeester op grond van de wet;
eventuele met de organisator gemaakte afspraken over een ordelijk verloop en eventuele door de burgemeester gestelde voorschriften;
-
Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag.
Artikel 2:4
Verboden betoging
-
Het is verboden een betoging als bedoeld in artikel 2:3 te doen plaatsvinden, feitelijk te leiden of aan een dergelijke betoging deel te nemen, terwijl men weet of redelijkerwijze kon weten, dat:
de kennisgeving daarvan niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 2:3 is gedaan;
gehandeld wordt in afwijking van de gegevens die bij de kennisgeving als bedoeld in artikel 2:3 zijn verstrekt;
de voorschriften, die de burgemeester krachtens het vijfde lid van artikel 2:3 gegeven heeft, niet nageleefd worden;
de burgemeester de betoging verboden heeft.
-
Indien een betoging krachtens het bepaalde in het eerste lid ongeoorloofd is, is iedereen die in of nabij de optocht aanwezig is, op eerste vordering van een ambtenaar van politie verplicht zich terstond te verwijderen in de door de ambtenaar bevolen richting of langs de door hem aangeduide weg.
Artikel 2:5
Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen.
-
Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op het door het college aangewezen openbare plaatsen.
-
Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.
-
Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.
-
Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
Artikel 2:6
Straatartiest
-
Het is verboden muziek ten gehore te brengen op openbare plaatsen indien dit gepaard gaat met hinder van verkeersstromen, gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beinvloeden of anderszins overlast veroorzaken.
-
Een ieder die zich hinderlijk op een openbare plaats gedraagt zoals omschreven in lid 1 van dit artikel, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie of een andere daartoe bevoegde ambtenaar zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
-
Het is verboden muziek ten gehore te brengen op de door de burgemeester aangegeven openbare plaatsen.
-
Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar of filmoperateur op te treden op of aan de door de urgemeester aangegeven wegen of gedeelten daarvan.
-
De burgemeester kan de werking van het verbod van lid 3 en lid 4 beperken tot bepaalde dagen of uren.
-
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod in lid 3 en lid 4.
Artikel 2:7
Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg.
-
Het is toegestaan tijdelijk voorwerpen te plaatsen in de openbare ruimte, mits:
plaatsing op eigen terrein niet mogelijk is;
niet langer dan 6 maanden
de omvang niet groter is dan 12 vierkante meter;
het beoogde gebruik geen schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid en bereikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;
het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving voldoet aan redelijke eisen van welstand.
-
Plaatsing van voorwerpen groter dan 12 vierkante meter dient uiterlijk 10 werkdagen voor de voorgenomen plaatsing in de openbare ruimte, gemeld te worden aan het college op een door het college voorgeschreven manier. De bepalingen van lid 1 onder a, b d en e zijn van overeenkomstige toepassing.
-
Het college kan nader regels stellen ten aanzien van voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg.
-
Het college kan indien werkzaamheden of omstandigheden daartoe aanleiding geven, gebieden aanwijzen waar het onder lid 1 van dit artikel bepaalde, tijdelijk niet van toepassing is. Wanneer een dergelijk gebied wordt aangewezen, dan is lid 2 van dit artikel van overeenkomstige toepassing.
-
Dit artikel is niet van toepassing op:
standplaatsen als bedoeld in artikel 5:15;
terrassen;
reclame als bedoeld in de Reclameverordening 2005;
evenementen als bedoeld in artikel 2:17;
deeltweewielers als bedoeld in artikel 2:7a.
-
Dit artikel geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften, de op de wet algemene bepalingen omgevingsrecht gebaseerde voorschriften, de Woningwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet, of het Provinciaal wegenreglement of voor zover er sprake is van een evenement als bedoeld in artikel 2:17.
Artikel 2:7a
Deeltweewielers
-
Het is verboden zonder vergunning van het college deeltweewielers ten behoeve van het gebruik door derden in de openbare ruimte te plaatsen en aan te bieden, anders dan vanuit speciaal daarvoor ingerichte voorzieningen;
-
Het college kan voorschriften of beperkingen verbinden aan de vergunning:
ter voorkoming van overlast;
in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente;
in het belang van de veiligheid van de weggebruikers;
in het belang van de doorstroming van het verkeer;
ter voorkoming van onevenredig ruimtegebruik;
ter bescherming van het milieu;
ter bescherming van de privacy.
-
Het college kan ter bescherming van de in het vorige lid genoemde belangen een maximum stellen aan:
het aantal deeltweewielers per vergunninghouder per categorie deeltweewielers;
het totaal aantal deeltweewielers.
-
Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verboden is om deeltweewielers ter gebruik aan te bieden.
-
Het college kan plaatsen aanwijzen waar uitsluitend deeltweewielers ter gebruik aangeboden kunnen worden.
-
Het college kan nadere regels stellen en wanneer een vergunningsaanvraag in strijd is met de nadere regels kan het college de vergunning weigeren.
-
Op een aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen).
Artikel 2:8
Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg.
-
Het is verboden zonder vergunning van het college een weg aan te leggen, de verharding daarvan af te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
-
Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak.
-
Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de Verordening ondergrondse infrastructuren.
-
Voor zover het in het eerste lid gestelde verbod betrekking heeft op het aanleggen van een weg of het aanbrengen van veranderingen in de wijze van aanleg van een weg en voor zover daarvoor tevens een verbod geldt als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, wordt de vergunning als bedoeld in het eerste lid van dit artikel verleend door het bevoegd gezag, zoals dat is bepaald in artikel 1.1 eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
-
Het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is in afwijking van het gestelde in deze verordening van toepassing met betrekking tot de behandeling van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in het vorige lid.
Artikel 2:9
Maken, veranderen van een uitweg.
-
Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of veranderingen te brengen in een bestaande uitweg naar de weg:
indien degene die voornemens is een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg daarvan niet tenminste 4 weken van tevoren melding heeft gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie;
indien het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden.
-
Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg:
indien daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht;
indien dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;
indien het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast;
indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.
-
Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement.
Artikel 2:10.
Winkelwagentjes.
-
De rechthebbende op een bedrijf die ten behoeve van het winkelend publiek winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht deze te voorzien van de naam van het bedrijf of van een ander herkenningsteken en door het publiek op of langs de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen.
-
Het is verboden zich met een winkelwagentje op de weg te bevinden buiten de onmiddellijke omgeving van het bedrijf als bedoeld in het eerste lid of, indien het bedrijf gelegen is in een winkelcentrum, buiten de onmiddellijke omgeving van dat winkelcentrum. Als onmiddellijke omgeving van het bedrijf of winkelcentrum wordt aangemerkt de weg of het weggedeelte, grenzende aan dat bedrijf of winkelcomplex en tevens aan die weg of dat weggedeelte aansluitende parkeerplaats.
-
Het is verboden een winkelwagentje dat is gebruikt op de weg, onbeheerd daarop achter te laten anders dan op een daartoe aangewezen plaats.
-
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 2:11.
Hinderlijke beplanting of voorwerp.
-
De rechthebbenden op een boom, heg, struik of andere beplanting welke aan het wegverkeer het vrije uitzicht kan belemmeren of daarvoor op andere wijze hinder of gevaar kan opleveren, is verplicht deze beplanting te snoeien, te knotten, op te binden, te verwijderen of op te ruimen na aanschrijving door het college, binnen een door hen te stellen termijn en overeenkomstig hun aanwijzingen.
-
Het is verboden langs de weg een voorwerp aan te brengen, te plaatsen of te hebben dat aan het wegverkeer het uitzicht belemmert of op andere wijze hinder of gevaar kan opleveren.
Artikel 2:12.
Openen straatkolken en dergelijke.
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting, die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
Artikel 2:13.
Rookverbod in bossen en natuurterreinen.
-
Het is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende een door de brandweer aangewezen periode.
-
Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te slepen of te laten liggen.
-
Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.
-
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.
Artikel 2:14.
Voorzieningen voor verkeer en verlichting
-
De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
-
Het college maakt tevoren aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid zijn besluit over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening, als bedoeld in het eerste lid, bekend.
-
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht van toepassing is.
Artikel 2:16.
Verbod carbid te schieten
-
Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water, of een gasmengsel met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden.
-
Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:17.
Begripsbepaling.
In deze afdeling wordt verstaan onder:
Groot evenement: regelmatig terugkerend evenement of incidenteel evenement, dat door de burgemeester als zodanig wordt aangewezen op grond van een meer dan gemiddelde belasting van de woon- en leefomgeving en een meer dan gemiddelde inzet van de hulpdiensten.
Evenement: elke voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met inbegrip van een herdenkingsplechtigheid en een braderie, met een gemiddelde belasting van de woon- en leefomgeving en een gemiddelde inzet van de hulpdiensten, met uitzondering van:
bioscoopvoorstellingen;
markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:19 van deze verordening;
kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;
betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
Klein evenement:
is een evenement, echter met een lage belasting van de woon- en leefomgeving;
heeft geen te verwachten inzet van de hulpdiensten;
heeft maximaal 250 bezoekers op het drukste moment;
duurt niet langer dan één dag;
vindt plaats tussen 9.00 en 23.00 uur;
belemmert de doorgang voor het openbaar vervoer en hulpdiensten zoals politie, ambulance en brandweer niet;
produceert een geluidsniveau op de gevels van omringende gebouwen die niet hoger is dan 75 dB(A);
heeft niet meer dan maximaal twee kleine geplaatste objecten (zoals een partytent) met een oppervlakte van maximaal 10 m2 per object;
heeft geen geplaatste professionele podia;
wordt gehouden zonder gebruik te maken van professionele geluidsapparatuur;
wordt georganiseerd zonder reclame te maken om belangstellenden van buiten aan te trekken.
Artikel 2:18.
Evenementenvergunning
-
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een groot evenement, een evenement of een klein evenement te organiseren.
-
Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien:
het aantal redelijkerwijs te verwachten aanwezigen niet meer bedraagt dan 250 personen;
het evenement plaatsvindt tussen 09.00 uur en 23.00 uur;
geen muziek en gehore wordt gebracht voor 09.00 uur of na 23.00 uur;
het evenement geen nadelige gevolgen heeft voor de verkeersveiligheid, de verkeersdoorstroming of de veiligheid van personen of goederen;
er een organisator is, en
de organisator uiterlijk 3 weken voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester.
-
De burgemeester kan binnen 10 dagen na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het tweede lid te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
-
Het college kan voor evenementen gebieden en/of locaties aanwijzen en/of nadere regels stellen.
-
De burgemeester kan nadere regels vaststellen betreffende het beslissen op een aanvraag om een vergunning voor het houden van een evenement.
-
Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994.
-
Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.
Artikel 2:20.
Begripsbepaling
In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.
Artikel 2:21.
Kennisgeving exploitatie
Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijke kennis te geven aan de burgemeester.
Artikel 2:22.
Verschaffing gegevens nachtregister
Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.
Artikel 2:23
Begripsomschrijvingen
In deze afdeling wordt verstaan onder:
de wet: de Wet op de kansspelen;
Speelautomatenbesluit: Speelautomatenbesluit: KB 23 mei 2000 (Stb.2000, 223);
speelautomaat: een toestel, als bedoeld in artikel 30 onder a van de wet, ingericht voor de beoefening van een spel, dat bestaat uit een door de speler in werking gesteld mechanisch, elektrisch of elektronisch proces, waarbij het resultaat kan leiden tot de middellijke of onmiddellijke uitkering van prijzen of premies, daaronder begrepen het recht om gratis verder te spelen;
behendigheidsautomaat: een speelautomaat, als bedoeld in artikel 30 onder b van de wet, waarvan
1e het spelresultaat uitsluitend kan leiden tot een verlengde speelduur of het recht op gratis spellen en
2e het proces, ook nadat het in werking is gesteld door de speler kan worden beïnvloed en het geheel of vrijwel geheel van zijn inzicht en behendigheid bij het gebruik van de daartoe geboden middelen afhangt of en in welke mate de speelduur verlengd of het recht op gratis spellen verkregen worden;
kansspelautomaat: een speelautomaat, als bedoeld in artikel 30 onder c van de wet, die geen behendigheidsautomaat is;
ondernemer: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een hoogdrempelige inrichting en de wettelijke vertegenwoordiger van die rechtspersoon;
exploitant: degene die ingevolge de vergunning, verleend door de minister van Economische Zaken, als bedoeld in artikel 30h van de wet, speelautomaten exploiteert;
hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d en artikel 30c, vierde en vijfde lid van de wet;
aanwezigheidsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 30b van de wet.
Artikel 2:24.
Maximum aantal automaten in hoog- en laagdrempelige inrichtingen
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester, als bedoeld in artikel 30b van de wet, kansspelautomaten aanwezig te hebben. Met betrekking tot het aantal kansspelautomaten waarvoor vergunning kan worden verleend voor inrichtingen als bedoeld in artikel 30c, eerste lid onder a. en artikel 30c, vierde en vijfde lid van de Wet, geldt dat in hoogdrempelige inrichtingen maximaal twee kansspelautomaten zijn toegestaan.
Artikel 2:25.
Aanwezigheidsvergunning speelautomaten
-
De aanwezigheidsvergunning kan uitsluitend op naam worden gesteld van de ondernemer en is niet overdraagbaar.
-
In de aanwezigheidsvergunning wordt het adres van de inrichting waar de speelautomaten worden geplaatst, vermeld.
-
De aanwezigheidsvergunning wordt uitsluitend verleend ten behoeve van de plaatsing van speelautomaten die in eigendom toebehoren aan personen die in het bezit zijn van een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 30h van de wet en die voorzien zijn van een merkteken als bedoeld in artikel 30r van de wet.
-
Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.
Artikel 2:26.
Kleine kansspelen
Het college stelt een formulier vast voor het doen van een mededeling als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen.
De mededeling wordt geacht eerst dan te zijn gedaan wanneer het in het eerste lid bedoelde formulier volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.
Artikel 2:27
g Van rechtswege vervallen vergunning
De vergunning als bedoeld in artikel 2:27 b, eerste lid, vervalt van rechtswege:
Bij het van kracht worden van een verleende nieuwe vergunning ten behoeve van de overname of nieuwe vestiging van een horecabedrijf/openbare inrichting;
indien (één van) de exploitant(en), niet meer als zodanig functioneert;
indien de ondernemingsvorm wijzigt;
indien binnen zes maanden na de datum van het verlenen van een exploitatievergunning niet is gestart met de (aangevraagde) exploitatie van het horecabedrijf/openbare inrichting;
indien de exploitatie van het horecabedrijf/openbare inrichting voor een periode van langer dan zes maanden is of wordt onderbroken;
indien er sprake is van een gewijzigde exploitatie, waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd.
Artikel 2:28
b Ontheffing sluitingsuur
-
De burgemeester kan van het bepaalde in artikel 2:28 a, eerste en vijfde lid, voor ten hoogste twaalf maal per jaar ontheffing verlenen.
-
De ontheffing als bedoeld in het eerste lid bevat geen vervangend sluitingstijdstip.
-
De ontheffing als bedoeld in het eerste lid wordt digitaal verleend. Elke ontheffing is éénmalig geldig.
-
Het digitale exemplaar wordt van gemeentewege genummerd, alsmede voorgedrukt met naam en adres van het horecabedrijf.
-
De ontheffing als bedoeld in het derde lid bevat een vervaldatum; na deze datum verliest de betreffende ontheffing haar geldigheid.
-
In bijzondere omstandigheden kan de burgemeester bij openbare bekendmaking besluiten, voor het gehele gebied der gemeente of voor een gedeelte daarvan, een later sluitingsuur vast te stellen.
-
Het in het eerste lid van dit artikel bepaalde geldt niet voorzover op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en/of de Wet milieubeheer en/of het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer gebaseerde voorschriften en/of artikelen van toepassing zijn.
Artikel 2:29
Vervroegde sluiting
-
De burgemeester is bevoegd in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor een of meer horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:28 a en 2:28 b geldende sluitingstijden vast te stellen of tijdelijke sluiting te bevelen.
-
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover sluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet van toepassing is.
-
In geval het bevel van de burgemeester, genoemd in het eerste lid, niet kan worden afgewacht, is de exploitant of beheerder van een horecabedrijf verplicht op het door een ambtenaar van politie gegeven bevel het verstrekken van eet- en/of drinkwaren te staken of te doen staken en zijn horecabedrijf te sluiten of te doen sluiten.
-
De sluiting wordt geacht in het openbaar bekend te zijn gemaakt zodra een besluit tot sluiting op, in of nabij de toegang of toegangen van het horecabedrijf is aangebracht.
Artikel 2:30
Verboden gedragingen
-
Het is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren.
-
Het is bezoekers van een horecabedrijf verboden, gedurende de tijd dat dit bedrijf krachtens het bepaalde in deze verordening, dan wel anderszins, gesloten dient te zijn, zich daarin of aldaar te bevinden.
-
Het is personen, die naar het oordeel van de burgemeester misbruik van alcoholische drank plegen te maken of van slecht zedelijk gedrag zijn na aanschrijving van de burgemeester verboden zich in een horecabedrijf te bevinden.
-
Het in het derde lid bedoelde verbod kan tevens worden ingesteld voor bepaalde aan te wijzen horecabedrijven, dan wel voor horecabedrijven in een aan te wijzen gedeelte van de gemeente.
-
Het verbod in het derde lid geldt voor een bepaalde periode, welke niet langer is dan één jaar.
-
Het is de exploitant van een horecabedrijf verboden personen toe te laten in zijn bedrijf aan wie de burgemeester een ontzegging heeft opgelegd op grond van het derde lid en wier namen als zodanig door de burgemeester schriftelijk aan die exploitant zijn opgegeven.
-
De exploitant van het horecabedrijf is verplicht, indien een persoon als bedoeld in het eerste lid zich in zijn horecabedrijf bevindt en in gebreke blijft deze te verlaten, hiervan terstond kennis te geven aan de politie.
Artikel 2:31
Toegang opsporingsambtenaren
De exploitant van een horecabedrijf is verplicht ervoor te zorgen dat opsporingsambtenaren vanaf de weg onmiddellijk en onbelemmerd toegang hebben tot zijn horecabedrijf:
gedurende de tijd dat het horecabedrijf voor bezoekers geopend is; dan wel
gedurende de tijd dat het horecabedrijf gesloten dient te zijn en indien die opsporingsambtenaren vermoeden dat daarin of aldaar bezoekers aanwezig zijn.
Artikel 2:34a
Begripsbepalingen
In deze afdeling wordt onder paracommercieel rechtspersoon verstaan: een rechtspersoon niet zijnde een naamloze vewnnootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich naast activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard richt op de exploitatie in eigen beheer van een horecabedrijf.
Artikel 2:34b
Regulering paracommerciële rechtspersonen
Een paracommercieel rechtspersoon kan alcoholhoudende drank verstrekken tijdens de exploitatietijden zoals opgenomen in artikel 2:28a.
Het is paracommerciële rechtspersonen niet toegestaan bijeenkomsten te houden van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.
Artikel 2:33
Betreden gesloten woning of lokaal
-
Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
-
Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
-
Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.
Artikel 2.34
Plakken en kladden
-
Het is verboden op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
-
Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:
een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken of op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
met kalk, teer of een kleur- of verfstof enige afbeelding of letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
-
Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
-
Het college kan aanplakborden of plaatsen aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen of bekendmakingen.
-
Het college kan plaatsen aanwijzen waar de handelingen die in lid 2 sub b van dit artikel genoemd zijn, toegestaan zijn.
-
Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden en de in het vijfde lid bedoelde plaatsen te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
-
Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van uitingen, meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.
-
De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.
Artikel 2:35
Vervoer plakgereedschap e.d.
-
Het is verboden op een openbare plaats of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap.
-
Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing, indien de in dat lid bedoelde materialen of gereedschappen niet zijn bestemd of gebruikt voor handelingen als verboden in artikel 2:34
Artikel 2:36
Vervoer inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen voor winkeldiefstal
-
Het is verboden op de weg of o een andere voor het publiek toegankelijke plaats te vervoeren of bij zich te hebben lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen zich onregelmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken, fietsendiefstal te plegen of het maken van sporen te voorkomen.
-
Het is verboden op een openbare plaats in de nabijheid van een winkel bij zich te hebben of te vervoeren een tas of ander hulpmiddel dat er kennelijk toe is uitgerust om er winkeldiefstal mee te plegen of winkeldiefstal te vergemakkelijken door het buiten werking stellen en/of houden van detectie- of waarnemingsapparatuur.
-
Het in het eerste en tweede lid bepaalde verbod is niet van toepassing indien kan worden aangenomen dat de bedoelde gereedschappen, voorwerpen of middelen redelijkerwijs gezien niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor de in lid 1 en 2 bedoelde handelingen.
Artikel 2:37
Bescherming groenvoorzieningen
Het is in een voor publiek toegankelijk park of plantsoen of in bij de gemeente in onderhoud zijnde groenstroken, grasperken of bloembakken verboden enige schade toe te brengen aan een boom of een bloem- of heesterperk, dan wel aldaar bloemen, planten of takken te vervoeren of bij zich te hebben, tenzij de vervoerder deze bloemen, planten of takken rechtmatig verkregen heeft.
Artikel 2:38
Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
-
Het is verboden:
op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
zich op een andere plaats zodanig op te houden dat aan weggebruikers of bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt;
op een openbare plaats op enigerlei wijze de orde te verstoren, personen lastig te vallen of te vechten.
-
Een ieder die zich hinderlijk op een openbare plaats gedraagt zoals omschreven in lid 1 van dit artikel, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een opsporingsambtenaar zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
-
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregeld onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:39
Verboden drankgebruik
-
Het is verboden op of aan de weg alcoholhoudende drank te gebruiken indien dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins overlast veroorzaken.
-
Een ieder die zich hinderlijk op een openbare plaats gedraagt zoals omschreven in lid 1 van dit artikel, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een opsporingsambtenaar zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
-
Onverminderd het bepaalde in artikel 45 van de Alcoholwet ten aanzien van personen jonger dan achttien jaar is het voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.
-
Het bepaalde in het derde lid geldt niet voor:
een terras dat deel uitmaakt van een inrichting, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;
de plaats, niet zijnde een inrichting, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.
uitzonderingen in het aangewezen gebied zoals door het college bepaald.
Artikel 2:40
Verboden gedrag bij of in gebouwen
-
Het is verboden:
zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op de houden;
zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen dan wel anderszins aanwezig te zijn.
-
Een ieder die zich hinderlijk gedraagt bij of in gebouwen zoals omschreven in lid 1 van dit artikel is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een opsporingsambtenaar zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
-
Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo’n gebouw.
Artikel 2:41
a Openbare fietsverkoop
-
Het is verboden op of aan een openbare plaats fietsen of onderdelen van fietsen te koop aan te bieden, te verkopen of te kopen.
-
Het verbod geldt niet voor bedrijfsmatige handel in fietsen.
-
De burgemeester kan wegen en tijden aanwijzen waarop het verbod niet geldt.
Artikel 2:42
Natuurlijke behoefte doen
Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.
Artikel 2:45
Bedelarij
Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw (winkels daaronder begrepen) te bedelen om geld of andere zaken.
Artikel 2:46
Neerzetten van fietsen
Het is verboden op een openbare plaats een fiets, bromfiets en dergelijke te plaatsen of te laten staan regen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek:
indien dit in strijd is met de uitdrukkelijke verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of
indien die ingang daardoor wordt versperd.
Artikel 2:47
Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.
Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.
Artikel 2:48
Bespieden van personen
-
Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze woonwagens of dit woonschip bevindende persoon, te bespieden.
-
Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch of elektronisch instrument een zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindende persoon te bespieden.
Artikel 49
Verbod oplaten ballonnen
-
Het is verboden ballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van hete lucht afkomstig van vuur, dan wel door middel van helium of andere gassen, op te laten stijgen.
-
Onder een ballon wordt mede verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, gelukslampion, Thaise wensballon, papierballon, geluksballon etc.
Artikel 2:50
Loslopende honden
-
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:
binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat de hond aangelijnd is;
op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanige ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;
op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of van een ander identificatiekenmerk, dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd
-
het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid onder a en d. niet geldt.
-
Het in het eerste lid onder a. gestelde verbod geldt niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden of indien een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond.
Artikel 2:51
Verontreiniging door honden
-
Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.
-
Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.
-
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen
Artikel 2:52
Gevaarlijke honden
-
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die te laten verblijven of te laten lopen op een openbare plaats of op het terrein van een ander:
anders dan kort aangelijnd nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt;
anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt.
-
In afwijking van artikel 2:50, aanhef en onder c, geldt voor het bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond voorzien moet zijn van een optisch leesbaar, niet verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of de buikwand.
-
In het eerste lid wordt verstaan onder:
kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, niet groter dan 1,50 meter;
muilkorf: een muilkorf vervaardigd van stevige kunststof of van stevig leer of van beide stoffen, die door middel van een stevige leren riem rond de hals zodanig is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is en die zodanig is ingericht dat de drager geen mens of dier kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
Artikel 2:53
Houden van hinderlijke of schadelijke dieren
-
Het is verboden dieren te houden of te voeren, die naar het oordeel van het college voor de omgeving schadelijk of hinderlijk zijn en/of dieren te houden oft e voeren op een voor de omgeving schadelijke of hinderlijke wijze.
Artikel 2:54
Loslopend vee en pluimvee
De rechthebbende op vee of pluimvee, dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dan niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee of pluimvee die weg niet kan bereiken.
Artikel 2:55
Begripsomschrijving
In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:56
Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
-
De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeld hij onverwijld:
het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;
de datum van verkoop of overdracht van het goed;
een omschrijving van het goed, daaronder begrepen – voor zover dat mogelijk is – soort, merk en nummer van het goed;
de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed;
de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.
-
De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze verplichtingen.
Artikel 2:57
Voorschriften als bedoeld in artikel 437 ter, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:
a.de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:
1o dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;
2o van een verandering van e onder a, sub 1o, bedoelde adressen;
3o als hij beroep van handelaar niet langer uitoefent;
4o dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;
de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;
aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de Onderneming duidelijk zichtbaar zijn;
een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste zeven dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.
Artikel 2:58
Gebruik van verdovende middelen
-
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, middelen te gebruiken als genoemd in de artikelen 2 en 3 van deze wet.
-
Het is verboden op een openbare plaats dan wel in afvalbakken injectiespuiten of onderdelen daarvan achter te laten.
Artikel 2:59
Drugshandel op straat
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Artikel 2:60
Veiligheidsrisicogebieden
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.
Artikel 2:61
Gebiedsontzegging
-
Degene die zich in een door de burgemeester aangewezen gebied waarin naar zijn oordeel de openbare orde is verstoord, gedraagt in strijd met art. 2:1, art. 2:2, art. 2:38, art. 2:39, art. 2:40, art. 2:41, art. 2:42, art. 2:45 of art. 2:58 APV dient zich terstond uit dat gebied te verwijderen en zich daar gedurende vierentwintig uur verwijderd te houden, nadat door of namens de burgemeester hem een daartoe strekkend bevel is gegeven.
-
Het in het eerste lid genoemde bevel wordt niet eerder gegeven dan na een eerste overtreding als genoemd waarvan proces-verbaal is opgemaakt en zich een soortgelijke tweede overtreding heeft voorgedaan waarbij de overtreder de aanzegging heeft gekregen dat bij een derde overtreding verwijdering volgt uit genoemd gebied voor vierentwintig uur.
-
Degene die in een door de burgemeester aangewezen gebied, als bedoeld in het eerste lid in een aaneengesloten periode van ten hoogste zes maanden na een derde overtreding zoals genoemd in het tweede lid, een nieuwe overtreding begaat, dient zich terstond na bevel van of namens de burgemeester uit dat gebied te verwijderen en zich veertien dagen verwijderd te houden.
-
Degene die in een door de burgemeester aangewezen gebied, als bedoeld in het eerste lid in een aaneengesloten periode van ten hoogste zes maanden na een vierde overtreding zoals genoemd in het derde lid, een nieuwe overtreding begaat, dient zich terstond na bevel van of namens de burgemeester uit dat gebied te verwijderen en zich vier weken verwijderd te houden.
Artikel 2:62
Cameratoezicht op openbare plaatsen
-
De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op openbare plaatsen en/of voor een ieder toegankelijke plaatsen.
Artikel 2.63
Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet
-
Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.
-
Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester stelt beleidsregels vast over het gebruik van deze bevoegdheid.
-
De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke:
geluid- of geurhinder;
hinder van dieren;
hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;
overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;
intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.”
Artikel 2:64
Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
-
In dit artikel wordt verstaan onder:
exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;
beheerder: de natuurlijke persoon die feitelijk leiding geeft of de leiding heeft over de bedrijfsmatige activiteiten;
bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.
-
De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat.
-
Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen:
in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester benoemde bedrijfsmatige activiteiten; of
indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.
-
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:
in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;
indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;
de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;
indien niet voldaan is aan de bij of krachtens lid vijf en zes gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;
indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer.
-
De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:
de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder;
het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;
het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;
indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder;
een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten;
een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd.
-
Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.
-
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien:
door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of
door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of
de voorwaarden uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit dit artikel niet worden nageleefd; of
de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of
de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of
er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of
er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; of
de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd dan wel sprake is van een gewijzigde exploitatie; of
redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; of
de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit, de Wet milieubeheer of een gebiedsplan.
-
Indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd of indien een van de situaties als bedoeld in het zevende lid, sub a tot en met i, van toepassing is, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen.
-
Het is een ieder verboden een overeenkomstig het achtste lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven.
-
De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.
-
De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. Na het indienen van een aanvraag voor een wijziging in de exploitatie, verleent de burgemeester een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet.
-
Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is.
-
De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden.
-
In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.
-
Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:65
Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen
-
De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, of voor het publiek openstaande gebouwen en/of de daarbij behorende erven in bepaald gebied, in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten.
-
Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
-
Het in het eerste lid gepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet.