1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen, of te hebben.

  2. Het college weigert de vergunning wegens strijdigheid met een geldend bestemmingsplan.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd:

    1. indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand;

    2. indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt;

    3. vanwege strijdigheid met de beleidsregels die zijn vastgelegd in de Nota Standplaatsenbeleid, zoals het maximumstelsel.

  4. Het is toegestaan een winkeluitstalling te plaatsen in de openbare ruimte mits:

    1. deze binnen een strook van maximaal 1 meter diep en maximaal de breedte van de winkelgevel staat;

    2. de aard van de uitstalling een relatie heeft met de in de winkel aangeboden waren of diensten;

  5. In uitzonderingsgevallen en ter beoordeling van het college mag de strook voor de winkeluitstalling maximaal 2.50 meter diep zijn. Te allen tijde dient een vrije doorgangsmogelijkheid voor voetgangers gewaarborgd te zijn van tenminste 1,50 meter breed en in drukke voetgangersgebieden – ter beoordeling van het college – een doorgang van tenminste 2.00 meter.

  6. Het is toegestaan een overige uitstalling te plaatsen in de openbare ruimte mits deze uitstalling binnen een strook van maximaal 1 meter diep en maximaal de breedte van de gevel staat.

  7. Te allen tijde dient bij de overige uitstalling een vrije doorgangsmogelijkheid voor voetgangers gewaarborgd te zijn van tenminste 1.50 meter breed en in drukke voetgangersgebieden – ter beoordeling van het college – een doorgang van tenminste 2.00 meter.

  8. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de in deze Afdeling genoemde onderwerpen.