1. Het is toegestaan tijdelijk voorwerpen te plaatsen op een openbare plaats, mits:

    1. plaatsing op eigen terrein niet mogelijk is;

    2. niet langer dan 6 maanden

    3. de omvang niet groter is dan 12 vierkante meter;

    4. het beoogde gebruik geen schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid en bereikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    5. het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving voldoet aan redelijke eisen van welstand.

  2. Plaatsing van voorwerpen groter dan 12 vierkante meter dient uiterlijk 10 werkdagen voor de voorgenomen plaatsing op een openbare plaats, gemeld te worden aan het college op een door het college voorgeschreven manier. De bepalingen van lid 1, onder a, b, d en e, zijn van overeenkomstige toepassing.

  3. Het is verboden te handelen in strijd met het eerste of tweede lid, zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan.

  4. In dit artikel wordt onder bevoegd bestuursorgaan verstaan het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.

  5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning worden geweigerd in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

  6. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg.

  7. Het college kan indien werkzaamheden of omstandigheden daartoe aanleiding geven, gebieden aanwijzen waar het onder lid 1 van dit artikel bepaalde, tijdelijk, geheel of gedeeltelijk niet van toepassing is. Het college kan daarbij bepalen dat uiterlijk 10 werkdagen voor de voorgenomen plaatsing van voorwerpen, daarvan melding aan het college wordt gedaan op een door het college voorgeschreven manier.

  8. Dit artikel is niet van toepassing op:

    1. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:15;

    2. terrassen;

    3. reclame als bedoeld in de Reclameverordening 2005 of de opvolger daarvan;

    4. evenementen als bedoeld in artikel 2:17;

    5. deeltweewielers als bedoeld in artikel 2:7a.

    6. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend;

    7. de opslag van voorwerpen of stoffen door of namens de gemeente bij het uitvoeren van een publiekrechtelijke taak.

  9. Dit artikel is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.