Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Asten 2026 BETA Foutje gevonden?

Inhoud

Paragraaf

Afdeling 4.3 Het bewaren van houtopstanden

Artikel 4:10

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • boom: een houtig gewas, zowel levend als dood, met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 centimeter op 130 centimeter hoogte boven het maaiveld. Ingeval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam;

  • dunning: het selectief verwijderen (maximaal 30%) van houtopstanden binnen een bos, bosplantsoen of singel met het doel de duurzame instandhouding en ontwikkeling van de blijvende houtopstand te bevorderen. Een dunning vindt maximaal 1 keer in de 10 jaar plaats;

  • gebouw met een maatschappelijke functie: een gebouw dat geheel of gedeeltelijk wordt gebruikt voor activiteiten van algemeen maatschappelijk belang;

  • houtopstand: een zelfstandige eenheid van één of meerdere bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend;

  • kandelaberen: een snoeitechniek waarbij de hoofdtakken van een boom drastisch worden ingekort tot op korte stompen (vaak 0,5 tot 1 meter vanaf de stam);

  • lijst van beschermwaardige bomen: een lijst waarop beschermwaardige bomen in de gemeente worden vermeld;

  • NVTB-methode: de door de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen ontwikkelde methode voor het bepalen van de waarde van bomen en het vaststellen van schade aan bomen;

  • vellen: rooien, met inbegrip van verplanten en kandelaberen, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben;

  • windscherm: bomenrij rondom een boomgaard, ter bescherming van fruitbomen tegen de wind.

Artikel 4:11a

Aanvraag en weigeringsgronden omgevingsvergunning

  1. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4:11, eerste lid, wordt aangevraagd door of namens dan wel met toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.

  2. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4:11, eerste lid, wordt ingediend via het Omgevingsloket.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd op grond van:

    1. de natuurwaarde van de houtopstand;

    2. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

    3. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

    4. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

    5. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

    6. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand; of

    7. andere redenen van milieubeheer.

Artikel 4:11c

Herbeplantplicht, instandhoudingsplicht en financiële compensatieplicht

  1. Het bevoegd gezag kan een herbeplant- of instandhoudingsplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.

  2. Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan degene die krachtens zakelijk recht of aan degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd was over de houtopstand te beschikken, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen en binnen een te stellen termijn.

  3. Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, ernstig wordt bedreigd in haar voortbestaan, kan het bevoegd gezag aan degene die krachtens zakelijk recht of aan degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd was over de houtopstand te beschikken, overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen binnen een door het bevoegd gezag te stellen termijn, de verplichting opleggen om voorzieningen te treffen waardoor die bedreiging wordt weggenomen.

  4. Indien een herbeplantplicht zoals bedoeld in het eerste en tweede lid wordt opgelegd en deze herbeplanting niet slaagt, kan het bevoegd gezag bepalen binnen welke termijn, alsmede op welke wijze, deze herbeplanting vervangen dient te worden.

  5. Indien er niet wordt voldaan aan de herbeplantplicht zoals bedoeld in het eerste en tweede lid dan wel niet wordt voldaan aan de instandhoudingsplicht zoals bedoeld in het derde lid kan het bevoegd gezag de uit te voeren plantwerkzaamheden met daarbij horende voorschriften door een derde partij laten uitvoeren. De hiervoor gemaakte kosten worden verhaald op degene die ingevolge artikel 4:11a, eerste lid, gerechtigd is tot het doen van een vergunningaanvraag.

  6. Het bevoegd gezag kan:

    1. een herbeplantplicht opleggen zoals bedoeld in het eerste en tweede lid;

    2. een instandhoudingsplicht opleggen zoals bedoeld in het derde lid;

    3. indien er schade is aangericht aan een boom die al dan niet de dood van de boom tot gevolg heeft een financiële compensatieplicht opleggen.

  7. De financiële compensatie bedraagt de taxatiewaarde van de boom of houtopstand, welke wordt bepaald op basis van de NVTB-methode.

Artikel 4:11e

Spoedeisend belang of direct gevaar

Het verbod als bedoeld in artikel 4:11, eerste lid, is niet van toepassing als de burgemeester toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen.

Artikel 4:12

Afstand bomen tot de erfgrens

  1. De afstand tot de erfgrens, als bedoeld in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek, wordt vastgesteld op:

    1. nihil voor bomen, heesters en heggen op openbaar terrein; en

    2. 2,00 meter voor bomen en nihil voor heesters en heggen in privaat eigendom.

  2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, geldt voor leibomen in privaat eigendom met een maximale hoogte van 5 meter een minimale afstand tot de erfgrens van 0,50 meter, mits de bomen vanaf het eigen perceel kunnen worden gesnoeid en er zich geen takken over de perceelgrens bevinden.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Asten 2026