Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Asten 2026 BETA Foutje gevonden?

Inhoud

Hoofdstuk

Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Artikel 4:1

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • Activiteitenbesluit milieubeheer: zoals het besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

  • collectievefestiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

  • gevoeligegebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • gevoeligeterreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • houdervaneeninrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

  • incidentelefestiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

  • inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

Artikel 4:2

Aanwijzing collectieve festiviteiten

  1. De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer van de volgende delen:

    1. Asten-centrum;

    2. Heusden;

    3. Ommel.

  4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

  5. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

  6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 65 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

  7. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

Artikel 4:3

Kennisgeving incidentele festiviteiten

  1. Het is een inrichting toegestaan op maximaal vijf dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5, niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit schriftelijk hiervan kennis heeft gedaan aan het college.

  2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal twaalf dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit schriftelijk hiervan kennis heeft gedaan aan het college.

  3. De kennisgeving is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.

  4. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

  5. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 65 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

  6. De geluidsnorm, bedoeld in het vijfde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

  7. De geluidsnorm, bedoeld in het vijfde lid, geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.

  8. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 4:5

Onversterkte muziek

  1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onderdeel f, en vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer binnen inrichtingen is de in het tweede lid opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat:

    1. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen;

    2. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein;

    3. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder, zoals die wet en dat besluit luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

    4. bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast.

  2. Tabel:

  3. In de volgende gevallen is onversterkte muziek in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode voor de duur van maximaal 20 uur in de week uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid indien:

    1. het betreft het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen. Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is dit artikel niet van toepassing;

    2. het betreft bespelingen van het carillon in de kerk.

  4. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is dit artikel niet van toepassing.

  5. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 4:2 en 4:3.

Artikel 4:5d

Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen

(Gereserveerd)

Artikel 4:7

Straatvegen

Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.

Artikel 4:8

Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel 4:9

Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Artikel 4:9a

Verbod oplaten ballonnen

  1. Het is verboden om ballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van helium of andere gassen op te laten stijgen.

  2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een heteluchtballon, zijnde een luchtvaartuig.

Artikel 4:10

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • boom: een houtig gewas, zowel levend als dood, met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 centimeter op 130 centimeter hoogte boven het maaiveld. Ingeval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam;

  • dunning: het selectief verwijderen (maximaal 30%) van houtopstanden binnen een bos, bosplantsoen of singel met het doel de duurzame instandhouding en ontwikkeling van de blijvende houtopstand te bevorderen. Een dunning vindt maximaal 1 keer in de 10 jaar plaats;

  • gebouw met een maatschappelijke functie: een gebouw dat geheel of gedeeltelijk wordt gebruikt voor activiteiten van algemeen maatschappelijk belang;

  • houtopstand: een zelfstandige eenheid van één of meerdere bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend;

  • kandelaberen: een snoeitechniek waarbij de hoofdtakken van een boom drastisch worden ingekort tot op korte stompen (vaak 0,5 tot 1 meter vanaf de stam);

  • lijst van beschermwaardige bomen: een lijst waarop beschermwaardige bomen in de gemeente worden vermeld;

  • NVTB-methode: de door de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen ontwikkelde methode voor het bepalen van de waarde van bomen en het vaststellen van schade aan bomen;

  • vellen: rooien, met inbegrip van verplanten en kandelaberen, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben;

  • windscherm: bomenrij rondom een boomgaard, ter bescherming van fruitbomen tegen de wind.

Artikel 4:11a

Aanvraag en weigeringsgronden omgevingsvergunning

  1. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4:11, eerste lid, wordt aangevraagd door of namens dan wel met toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.

  2. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4:11, eerste lid, wordt ingediend via het Omgevingsloket.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd op grond van:

    1. de natuurwaarde van de houtopstand;

    2. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

    3. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

    4. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

    5. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

    6. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand; of

    7. andere redenen van milieubeheer.

Artikel 4:11c

Herbeplantplicht, instandhoudingsplicht en financiële compensatieplicht

  1. Het bevoegd gezag kan een herbeplant- of instandhoudingsplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.

  2. Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan degene die krachtens zakelijk recht of aan degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd was over de houtopstand te beschikken, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen en binnen een te stellen termijn.

  3. Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, ernstig wordt bedreigd in haar voortbestaan, kan het bevoegd gezag aan degene die krachtens zakelijk recht of aan degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd was over de houtopstand te beschikken, overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen binnen een door het bevoegd gezag te stellen termijn, de verplichting opleggen om voorzieningen te treffen waardoor die bedreiging wordt weggenomen.

  4. Indien een herbeplantplicht zoals bedoeld in het eerste en tweede lid wordt opgelegd en deze herbeplanting niet slaagt, kan het bevoegd gezag bepalen binnen welke termijn, alsmede op welke wijze, deze herbeplanting vervangen dient te worden.

  5. Indien er niet wordt voldaan aan de herbeplantplicht zoals bedoeld in het eerste en tweede lid dan wel niet wordt voldaan aan de instandhoudingsplicht zoals bedoeld in het derde lid kan het bevoegd gezag de uit te voeren plantwerkzaamheden met daarbij horende voorschriften door een derde partij laten uitvoeren. De hiervoor gemaakte kosten worden verhaald op degene die ingevolge artikel 4:11a, eerste lid, gerechtigd is tot het doen van een vergunningaanvraag.

  6. Het bevoegd gezag kan:

    1. een herbeplantplicht opleggen zoals bedoeld in het eerste en tweede lid;

    2. een instandhoudingsplicht opleggen zoals bedoeld in het derde lid;

    3. indien er schade is aangericht aan een boom die al dan niet de dood van de boom tot gevolg heeft een financiële compensatieplicht opleggen.

  7. De financiële compensatie bedraagt de taxatiewaarde van de boom of houtopstand, welke wordt bepaald op basis van de NVTB-methode.

Artikel 4:11e

Spoedeisend belang of direct gevaar

Het verbod als bedoeld in artikel 4:11, eerste lid, is niet van toepassing als de burgemeester toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen.

Artikel 4:12

Afstand bomen tot de erfgrens

  1. De afstand tot de erfgrens, als bedoeld in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek, wordt vastgesteld op:

    1. nihil voor bomen, heesters en heggen op openbaar terrein; en

    2. 2,00 meter voor bomen en nihil voor heesters en heggen in privaat eigendom.

  2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, geldt voor leibomen in privaat eigendom met een maximale hoogte van 5 meter een minimale afstand tot de erfgrens van 0,50 meter, mits de bomen vanaf het eigen perceel kunnen worden gesnoeid en er zich geen takken over de perceelgrens bevinden.

Artikel 4:13

Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke

  1. Het is verboden in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

    1. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

    2. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

    3. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of

    4. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

  2. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 4:15

Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

  1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.

  2. Het verbod is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging.

Artikel 4:17

Definitie

In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Artikel 4:18

Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

  1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede is bestemd.

  2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van:

    1. natuur en landschap; of

    2. een stadsgezicht.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Asten 2026