1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag:

    1. een uitweg te maken naar de weg;

    2. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;

    3. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

  2. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van:

    a de bruikbaarheid van de weg;

    b het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

    c de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

    d de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

  3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.

  4. Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beslissing bij niet tijdig beslissen) van toepassing.