Algemene Plaatselijke Verordening 2017 (APV) BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
HOOFDSTUK ALGEMENE BEPALINGEN
HOOFDSTUK OPENBARE ORDE
Afdeling Bestrijding van ongeregeldheden
Afdeling Betoging
Afdeling Verspreiden van gedrukte stukken
Afdeling Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Afdeling Veiligheid van de weg
Afdeling Evenementen
Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen
Afdeling Bijzondere bepalingen over paracommerciële rechtspersonen
Afdeling Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling Toezicht op campings en recreatieparken
Afdeling Toezicht op speelgelegenheden
Afdeling Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Afdeling Vuurwerk
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden, cameratoezicht op openbare plaatsen, gebiedsontzeggingen en gedragsaanwijzingen
HOOFDSTUK SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE E.D.
HOOFDSTUK BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE
HOOFDSTUK ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING
HOOFDSTUK STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

HOOFDSTUK

OPENBARE ORDE

Artikel 2:1

Samenscholing en ongeregeldheden

  1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.

  2. Hij die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

  3. Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare plaatsen, die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.

  4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.

  5. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

Artikel 2:3

Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen

  1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.

  2. De kennisgeving bevat:

    1. naam en adres van degene die de betoging houdt;

    2. het doel van de betoging;

    3. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

    4. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;

    5. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;

    6. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

  3. Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.

  4. Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag.

  5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.

Artikel 2:6

Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen

  1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden, aan te bevelen of bekend te maken op of aan door het college aangewezen openbare plaatsen.

  2. Het college kan de werking van het in het eerste lid gestelde verbod beperken tot in de openbare kennisgeving aan te duiden dagen en uren.

  3. Het in het eerste lid opgenomen verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.

  4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  5. Op de ontheffing bedoeld in het vierde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:10

Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie ervan

  1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik:

    1. schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; of

    2. op zichzelf of in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

  2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang wordt gelaten op voetpaden voor voetgangers en op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer.

  3. Het bevoegd bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels en/of beleidsregels stellen ten aanzien van terrassen en uitstallingen, tijdelijke aankondigingsborden en spandoeken, en overige objecten op of aan de weg.

  4. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid, zoals ten behoeve van het plaatsen van een oplaadpaal/-infrastructuur voor het opladen van elektrische voertuigen.

  5. Het verbod is niet van toepassing op:

    1. evenementen als bedoeld in artikel 2:24;

    2. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;

    3. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.

  6. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:11

(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak.

  3. Het verbod geldt voorts niet voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 2:12

Maken en veranderen van een uitweg

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag:

    1. een uitweg te maken naar de weg;

    2. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;

    3. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

  2. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van:

    a de bruikbaarheid van de weg;

    b het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

    c de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

    d de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

  3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.

  4. Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beslissing bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:13

Veroorzaken van gladheid

  1. Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg te werpen, uit te storten of te laten lopen.

  2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 4e, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod ten behoeve van het als ijsbaan onder water zetten van parkeerterreinen, pleinen en open plaatsen.

  4. Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:14

Winkelwagentjes

  1. Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt is verplicht deze

    1. te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en

    2. terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf.

  2. Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten.

  3. Het in het eerste lid onder b bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet.

Artikel 2:16

Openen straatkolken e.d.

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting, die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2:17

Kelderingangen e.d.

  1. Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren.

  2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:18

Rookverbod in bossen en natuurgebieden

  1. Het is verboden te roken in bossen, op heide- of veengronden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende de door het college aangewezen periode.

  2. Het is verboden in bossen, op heide- of veengronden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

  3. Het in het eerste en in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3 van het Wetboek van Strafrecht .

  4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.

Artikel 2:19

Gevaarlijke voorwerpen

  1. Het is verboden op door het college aangewezen wegen en daaraan gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en terreinen, messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te dragen.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens behorende tot de categorieën I, II, III en IV Wet wapens en munitie en voor zover door het bij zich dragen van deze voorwerpen de openbare orde of veiligheid niet in gevaar komt of kan komen.

Artikel 2:20

Vallende voorwerpen

Het is verboden aan een weg of aan enig deel van een bouwwerk een voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen neervallen op de weg.

Artikel 2:21

Voorzieningen voor verkeer en verlichting

  1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  2. Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid zijn besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid.

  3. Het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.

Artikel 2:22

Objecten onder hoogspanningslijn

  1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.

  2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.

  3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien van objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.

  4. Op de ontheffing bedoeld in het tweede lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beslissing bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:23

Veiligheid op het ijs

  1. Het is verboden:

    a voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;

    b bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten, te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 2:24

Begripsbepaling

  1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

    1. bioscoop- en theatervoorstellingen;

    2. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22;

    3. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

    4. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;

    5. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

    6. activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39;

    7. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f.

  2. Onder evenement wordt mede verstaan:

    1. een herdenkingsplechtigheid;

    2. een braderie;

    3. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3;

    4. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;

    5. een circus of kermis, straatfeest of buurtbarbecue;

    6. vechtsportwedstrijden in competitieverband georganiseerd door een sportorganisatie van een bij de NOC*NSF aangesloten bond of koepelorganisatie, die worden gehouden of gespeeld in of op accommodaties waarover de sportorganisatie vast de beschikking heeft.

  3. Onder een groot evenement wordt verstaan een evenement waarbij meer dan 500 mensen gelijktijdig aanwezig zijn.

Artikel 2:25

Evenement

  1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te orga­niseren.

  2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.

  3. Geen vergunning is vereist voor kleinschalige activiteiten, indien:

  • de activiteit een barbecue, (straat)feest, muzikale rondwandelingen, buitenoptredens van toneelgezelschappen, fietstochten, muziek en of doorkomsten van wielerwedstrijden in de open lucht e.d. betreft;

  • de activiteit plaatsvindt:

    • 1. op zondag, Goede Vrijdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, eerste of tweede Kerstdag tussen 13.00 en 0.00 uur;

      2. op een doordeweekse dag tussen 10.00 en 0.00 uur;

      3. op vrijdag en zaterdag tussen 10.00 en 00.30 uur;

  • de activiteit niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten;

  • het aantal bezoekers niet meer bedraagt dan 150 personen; en

  • de organisator de burgemeester ten minste 15 werkdagen voorafgaand aan de activiteit in kennis stelt door middel van een melding.

Indien er geen onoverkomelijke bezwaren zijn en er geen aanvullende besluiten genomen hoeven te worden, ontvangt de organisator na ontvangst van het meldingsformulier een akkoord kennisgeving.

  1. Het verbod van het eerste lid geldt voorts niet voor feest, muziek of wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994.

  2. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:26

Ordeverstoring

Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.

Artikel 2:27

Begripsbepalingen

  1. Onder openbare inrichting wordt in deze afdeling verstaan: de voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, clubhuis.

  2. Onder openbare inrichting als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan een bij deze inrichting behorend terras en de andere aanhorigheden.

  3. Onder houder wordt in deze afdeling verstaan: degene die een openbare inrichting ex­ploi­teert op grond van het bepaalde in artikel 2:28.

  4. Onder leidinggevenden wordt in deze afdeling verstaan: degene(n) die algemene en/of onmiddellijke leiding geeft/geven aan de exploitatie van een openbare inrichting, dan wel hetgeen daar onder in de Alcoholwet wordt verstaan en als zodanig doorgaans gedurende de openingstijden in de inrichting aanwezig dient te zijn.

Artikel 2:28

Exploitatievergunning horecabedrijf

  1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  2. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan.

  3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat:

    1. de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of

    2. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of

    3. als er ten behoeve van de exploitatievergunning een negatief BIBOB advies is uitgebracht.

  4. Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting is gelegen of zal gelegen zijn, de aard van de openbare inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie.

  5. Het eerste lid geldt niet voor een openbare inrichting in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit is van de winkelactiviteit. Voor zowel de winkel als de activiteiten van de openbare inrichting gelden dezelfde sluitingstijden van de Winkeltijdenwet.

  6. Voorts geldt het eerste lid niet voor een openbare inrichting in:

    1. zorginstellingen;

    2. musea;

    3. camping of een recreatiepark als bedoeld in artikel 2:38a, onder a, APV, waarop de vergunningplicht uit artikel 2:38b, eerste lid, APV van toepassing is, voor zover er sprake is van eenzelfde exploitant. Artikelen 2:29 tot en met 2:33 zijn onverkort op de openbare inrichting op de camping of het recreatiepark van toepassing.

  7. Een vergunning voor het exploiteren van een openbare inrichting, waarin alcoholhoudende dranken worden verkocht, vervalt indien de leidinggevende van de openbare inrichting niet in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet.

  8. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:28a

Aanvraag vergunning

  1. Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 2:28 moet een aanvraag bij de burgemeester worden ingediend volgens een door de burgemeester vastgesteld formulier.

  2. Bij de aanvraag, bedoeld in het vorige lid, wordt tenminste:

    1. opgaaf gedaan van de personalia en het adres van de leidinggevende(n);

    2. opgaaf gedaan van de personalia en het adres van de houder voor zover hij een natuurlijk persoon is en van de zetel en het adres ingeval de houder een rechtspersoon is;

    3. opgaaf gedaan van het adres en de aard van de openbare inrichting;

    4. een nauwkeurige omschrijving van de ruimte waarvoor de vergunning moet gelden, waarbij is opgenomen de oppervlakte daarvan en een plattegrond van de openbare inrichting.

  3. De vergunning wordt schriftelijk aangevraagd door de natuurlijke perso(o)n(en) of rechtspersoon voor wiens rekening de exploitatie van de openbare inrichting geschiedt.

  4. De vergunning is niet overdraagbaar.

Artikel 2:28b

Beslistermijn

  1. De burgemeester beslist binnen twaalf weken na de datum waarop de aanvraag met bijbehorende bescheiden zijn ontvangen.

  2. De burgemeester kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen. De aanvrager van de vergunning wordt voor de afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn schriftelijk in kennis gesteld van de verdaging.

Artikel 2:29

Sluitingstijden

  1. Het is de houder van een openbare inrichting, waarvoor op grond van de Alcoholwet een vergunning is vereist, verboden dit voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven:

    op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 uur en 05.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 02.00 uur en 05.00 uur.

  2. Het is de houder van een openbare inrichting, waarvoor op grond van de Alcoholwet geen vergunning is vereist, verboden deze voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven:

    op maandag tot en met vrijdag tussen 02.00 uur en 05.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 03.00 uur en 05.00 uur.

  3. Overeenkomstig het gestelde in artikel 1.4 kan de burgemeester door middel van een vergunningvoorschrift voor een afzonderlijke openbare inrichting of voor een daartoe behorend terras een ander sluitingsuur of andere sluitingsuren vaststellen.

  4. In afwijking van het bepaalde in lid 1 en 2 stelt het college gedifferentieerde sluitingstijden vast voor categorieën van openbare inrichtingen, waaraan op grond van artikel 4 Alcoholwet beperkende voorwaarden zijn opgelegd en welke uitsluitend of mede dienst doen voor sportactiviteiten, dan wel gelegen zijn op een terrein dat dienst doet of bestemd is voor sportactiviteiten.

  5. Het eerste, tweede, derde en zesde lid van dit artikelzijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien.

  6. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de in lid 1, 2 en 4 van dit artikel vervatte verboden.

  7. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:30

Afwijking sluitingsuur; tijdelijke sluiting

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor één of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:29 geldende sluitingsuren vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

  2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 13b Opiumwet van toepassing is.

Artikel 2:31

Aanwezigheid in gesloten openbare inrichting

Het is bezoekers van een openbare inrichting verboden gedurende de tijd dat dit bedrijf krachtens artikel 2:29 of ingevolge een op grond van artikel 2:30 genomen besluit gesloten dient te zijn, zich daarin of aldaar te bevinden.

Artikel 2:32

Handel in horecabedrijven

  1. In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  2. De exploitant van een openbare inrichting laat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.

Artikel 2:32a

Glazen en drinkgerei

De houder van een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2:27 is verplicht zodanige maatregelen te nemen dat de bezoekers van zijn inrichting geen glas of flessen buiten de inrichting brengen.

Artikel 2:33

Ordeverstoring

Het is verboden in een openbare inrichting de orde te verstoren.

Artikel 2:34

Het college als bevoegd bestuursorgaan

Als een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27 geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 Gemeentewet treedt niet de burgemeester maar het college op als bevoegd bestuursorgaan ten behoeve van de artikelen 2:28 tot en met 2:30.

Artikel 2:34a

Schenktijden paracommerciële rechtspersonen

*

op maandag t/m woensdag tussen 09.00 en 23.00 uur;

*

op donderdag tussen 09.00 en 01.00 uur van de daaropvolgende dag;

*

op vrijdag en zaterdag tussen 09.00 en 22.00 uur;

*

op zondag tussen 09.00 en 21.00 uur.

voor de kantine van de hockeyvereniging:

Deze vergunning geldt uitsluitend voor het verstrekken van alcoholhoudende dranken voor gebruik ter plaatse tijdens het sportgebeuren, waaronder wordt verstaan wedstrijden, oefenwedstrijden en collectieve trainingen, alsmede clubavonden:

*

op maandag t/m donderdag tussen 09.00 en 23.00 uur;

*

op vrijdag tussen 09.00 en 01.00 uur van de daaropvolgende dag;

*

op zaterdag tussen 09.00 en 22.00 uur;

*

op zondag tussen 09.00 en 21.00 uur.

voor de kantine van de korfbalvereniging:

Deze vergunning geldt uitsluitend voor het verstrekken van alcoholhoudende dranken voor gebruik ter plaatse tijdens het sportgebeuren, waaronder wordt verstaan wedstrijden, oefenwedstrijden en collectieve trainingen, alsmede clubavonden:

*

op maandag tussen 09.00 en 23.00 uur;

*

op dinsdag tussen 09.00 uur en 00.00 uur van de daaropvolgende dag;

*

op woensdag tussen 09.00 uur en 23.00 uur;

*

op donderdag tussen 09.00 uur en 00.00 uur van de daaropvolgende dag;

*

op vrijdag tussen 09.00 en 01.00 uur van de daaropvolgende dag;

*

op zaterdag tussen 09.00 en 20.00 uur;

*

op zondag tussen 09.00 en 19.00 uur.

voor de kantine van tennisvereniging De Meijvink:

Deze vergunning geldt uitsluitend voor het verstrekken van alcoholhoudende dranken voor gebruik ter plaatse tijdens het sportgebeuren, waaronder wordt verstaan wedstrijden, oefenwedstrijden en collectieve trainingen, alsmede clubavonden:

*

op maandag tot en met donderdag tussen 09.00 uur en 01.00 uur van de daaropvolgende dag;

*

op vrijdag tot en met zondag tussen 09.00 uur en 23.00 uur.

Voor tennisvereniging het Root, petanque- en handboogverenigingen:

deze vergunning geldt uitsluitend voor het verstrekken van alcoholhoudende dranken voor gebruik ter plaatse tijdens het sportgebeuren, waaronder wordt verstaan wedstrijden, oefenwedstrijden en collectieve trainingen, alsmede clubavonden:

*

op maandag t/m zondag tussen 09.00 en 00.00 uur van de daaropvolgende dag.

De schenktijden van de diverse kantines zijn vastgesteld op basis van de hoofdactiviteiten van de desbetreffende verenigingen.

  1. Paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van sportieve aard verstrekken uitsluitend alcoholhoudende drank onder de volgende voorwaarden:

    1. Voor de sportkantines gelden de volgende schenktijden:

    2. voor alle kantines van voetbalverenigingen:

    3. Deze vergunning geldt uitsluitend voor het verstrekken van alcoholhoudende dranken voor gebruik ter plaatse tijdens het sportgebeuren, waaronder wordt verstaan wedstrijden, oefenwedstrijden en collectieve trainingen, alsmede clubavonden:

  2. Overige paracommerciële rechtspersonen verstrekken uitsluitend alcoholhoudende drank gedurende de periode beginnende met 1 uur voor aanvang en eindigende met 1 uur na beëindiging van de georganiseerde activiteiten, welke vallen binnen de statutaire doelen c.q. de toegestane activiteiten van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoon.

  3. In deze afdeling wordt verstaan onder ‘alcoholhoudende drank’, ‘paracommerciële rechtspersoon’, dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.

Artikel 2:34b

Bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen

Paracommerciële rechtspersonen verstrekken geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en tijdens bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn, wanneer dit leidt tot oneerlijke mededinging.

Artikel 2:35

Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft;

  2. houder: degene die een inrichting exploiteert, dan wel daarin de feitelijke leiding heeft.

Artikel 2:36

Kennisgeving exploitatie

Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.

Artikel 2:37

Nachtregister

  1. De houder van een inrichting of een voor hem handelend persoon is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden dat is ingericht volgens het door de burgemeester vastgestelde model.

  2. De houder van een inrichting of een voor hem handelend persoon is verplicht het in het eerste lid bedoelde register aan de burgemeester of aan een door hem aangewezen ambtenaar over te leggen op een door de burgemeester te bepalen wijze.

Artikel 2:38

Verschaffing gegevens nachtregister

Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht onverwijld aan de houder van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.

Artikel 2:38a

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. camping of recreatiepark: (kampeer-)terrein waarvan het gebruik ten behoeve van het verschaffen van tijdelijk recreatief nachtverblijf planologisch is toegestaan;

  2. exploitant: de natuurlijke of rechtspersoon die een camping of recreatiepark exploiteert op grond van artikel 2:38b;

  3. beheerder/leidinggevende: de natuurlijke of rechtspersoon of personen die de onmiddellijke leiding uitoefent of uitoefenen.

  4. Recreatieverblijfplaats: kampeerplaats; kampeervak, kampeerunit, (sta-)caravan, chalet en vergelijkbare accommodaties ten behoeve van recreatief nachtverblijf.

Artikel 2:38b

Vergunningplicht

  1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een camping of recreatiepark van meer dan 25 recreatieverblijfplaatsen te exploiteren;

  2. De aanvraag voor de vergunning dient te geschieden met een door de burgemeester vastgesteld formulier;

  3. Voor zover voor de exploitatie van de camping of het recreatiepark ook een vergunning als bedoeld in artikel 2:28 APV benodigd is en er sprake is van eenzelfde eigenaar en beheerder/leidinggevende, wordt, gelet op het bepaalde in artikel 2:28 lid 6 onder e APV, één exploitatievergunning verleend.

  4. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld:

    1. de persoonsgegevens van de exploitant, en

    2. de persoonsgegevens van de beheerder/leidinggevende.

  5. Op de aanvraag is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:38c

Gedragseisen

De exploitant en de beheerder/leidinggevende:

  1. staan niet onder curatele;

  2. zijn niet in enig opzicht van aantoonbaar slecht levensgedrag, en

  3. hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.

Artikel 2:38d

Weigeringsgronden

  1. De burgemeester weigert de vergunning als:

    1. de exploitant of beheerder/leidinggevende niet voldoet aan de in artikel 2:38c gestelde eisen;

    2. de exploitatie van de camping of het recreatiepark in strijd is met het omgevingsplan.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd indien:

    1. naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de camping of het recreatiepark of de openbare orde door de exploitatie van de camping of het recreatiepark op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed;

    2. de exploitatie van de camping of het recreatiepark een onaanvaardbaar risico op ernstige verstoring van de openbare orde met zich zal meebrengen;

    3. dit in het belang is van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;

    4. ten aanzien van de te verlenen vergunning een negatief BIBOB-advies is ontvangen.

Artikel 2:38e

Sluiting

  1. De burgemeester kan ter bescherming van de openbare orde en veiligheid de sluiting bevelen van een camping of recreatiepark indien daar:

    1. door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel verworven of overgedragen;

    2. discriminatie heeft plaatsgevonden op grond van ras, geslacht, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook;

    3. wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend;

    4. zich andere feiten en/of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van de camping of recreatiepark ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde.

  2. De burgemeester kan de sluiting bevelen van een camping of recreatiepark indien:

    1. de exploitant of beheerder/leidinggevende handelt in strijd met het bepaalde in de artikel 2:38b, eerste lid, of 2:38c onder sub a en b;

    2. de exploitant of beheerder/leidinggevende handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;

  3. De burgemeester trekt het sluitingsbevel in als naar zijn oordeel de in het eerste lid genoemde belangen voortzetting van de sluiting niet langer vereisen;

  4. De burgemeester draagt zorgt voor het aanbrengen van het bevel tot sluiting bij de toegang van de inrichting of in de directe nabijheid daarvan;

  5. De rechthebbende laat toe dat een afschrift van het sluitingsbevel wordt aangebracht.

Artikel 2:38f

Aanwezigheid in gesloten camping of recreatiepark

  1. Het is verboden een camping of recreatiepark te betreden waarvan de sluiting is bevolen;

  2. Het is de rechthebbende verboden zonder toestemming van de burgemeester bezoekers toe te laten of zelf de camping of het recreatiepark te betreden.

Artikel 2:38g

Intrekking vergunning

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 wordt de vergunning ingetrokken indien:

  1. de exploitatie van de camping of het recreatiepark door een andere dan in de vergunning genoemde houder wordt overgenomen;

  2. de exploitant of beheerder niet meer voldoet aan de in artikel 2:38c onder a en b gestelde eisen;

  3. ten aanzien van de exploitant of beheerder/leidinggevende een negatief BIBOB advies is ontvangen.

Artikel 2:38h

Overgangsbepaling

  1. De gebods- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning krachtens deze afdeling is vereist en die verder niet voorkomen in de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Asten 2017 derde wijziging:

    1. zijn niet van toepassing gedurende twaalf weken na inwerkingtreding van deze afdeling; en

    2. zijn niet van toepassing na de onder a genoemde termijn, voor zover degene die op grond van deze afdeling een vergunning nodig heeft, binnen deze termijn een aanvraag voor deze vergunning heeft ingediend, totdat op de aanvraag onherroepelijk is beslist.

  2. Voor campings en recreatieparken als bedoeld in 2:38b die op moment van inwerkingtreding van deze afdeling reeds bestaan geldt, dat zij kosteloos een vergunning van rechtswege ontvangen. Indien echter op voorhand zwaarwegende redenen zijn voor de burgemeester om eerst tot vergunningverlening als in dit artikellid bedoeld over te gaan nadat nader onderzoek naar bedoelde redenen heeft plaatsgevonden, wordt pas vergunning verleend als de uitkomst van dat nader onderzoek niet aan verlening in de weg staat als bedoeld in artikel 1:8 en 2:38d.

Artikel 2:39

Speelgelegenheden

  1. Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.

  2. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen.

  3. De burgemeester weigert de vergunning:

    1. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of

    2. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan.

  4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:40

Speelautomaten

  1. In dit artikel wordt verstaan onder:

    1. Wet: Wet op de kansspelen;

    2. speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a van de Wet;

    3. kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c van de Wet;

    4. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d van de Wet;

    5. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e van de Wet.

  2. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten.

  3. In laagdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan.

Artikel 2:41

Betreden gesloten woning of lokaal

  1. Het is verboden een krachtens artikel 174a Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

  2. Het is verboden een krachtens artikel 13b Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

  3. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende redenen noodzakelijk is.

  4. De burgemeester is bevoegd van de in het eerste of tweede lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen.

  5. Op de ontheffing als bedoeld in het vierde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:42

Plakken en kladden

  1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

  2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:

    1. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

    2. met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

  3. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

  4. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  5. Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

  6. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.

  7. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

Artikel 2:43

Vervoer plakgereedschap e.d.

  1. Het is verboden op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap.

  2. Dit verbod is niet van toepassing indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.

Artikel 2:44

Vervoer inbrekerswerktuigen

  1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

  2. Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

Artikel 2:44a

Vervoer geprepareerde voorwerpen (rooftassen)

  1. Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel) diefstal te vergemakkelijken.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het voorwerp niet bestemd is voor de in het eerste lid bedoelde handelingen.

Artikel 2:45

Betreden van plantsoenen e.d.

  1. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  3. Op de ontheffing als bedoeld in het tweede lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

  4. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.

Artikel 2:46

Rijden over bermen e.d.

  1. Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg.

  2. Dit verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.

  3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement Noord-Brabant.

  4. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.

Artikel 2:47

Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

  1. Het is verboden:

    1. op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

    2. zich op te houden op een wijze die aan andere gebruikers of aan bewoners van nabij die openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder berokkent.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis, 431 van het Wetboek van Strafrecht, of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:47a

Uitjouwen, naschreeuwen, vechten etc.

  1. Het is verboden in het openbaar:

    1. iemand uit te jouwen, toe- of na te schreeuwen, met aanstootgevende taal lastig te vallen, dan wel op andere wijze overlast aan te doen;

    2. te vechten.

  2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de artikelen 118, 119, 137c, 137d, 137e, 147, 424 of 426bis van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:47b

Verplichte route

Het is door de burgemeester aangewezen groepen van personen verboden op door hem aangewezen tijdstippen van een door hem aangewezen route af te wijken.

Artikel 2:48

Hinderlijk drankgebruik

  1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats binnen de bebouwde kom of een nader door het college aan te wijzen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

  2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:

    1. een terras dat behoort bij een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid;

    2. de plaats, niet zijnde een openbare inrichting als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.

Artikel 2:48a

Verboden lachgasgebruik

  1. Het is verboden op een openbare plaats distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken.

  2. Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college ter bescherming van de openbare orde of het woon- en leefklimaat aangewezen gebied lachgas recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben.

  3. Het college kan in het aanwijzingsbesluit het in het tweede lid bedoelde verbod beperken tot bepaalde tijden.

Artikel 2:49

Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen

  1. Het is verboden:

    1. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden;

    2. zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.

2 Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen, die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.

Artikel 2:50

Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten

Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen dan wel te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.

Artikel 2:51

Neerzetten van fietsen e.d.

Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek, indien:

  1. dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek;

  2. daardoor die ingang versperd wordt.

Artikel 2:52

Overlast van fiets of bromfiets op markt- en kermisterrein e.d.

Het is verboden op de door de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt welke publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.

Artikel 2:53

Bespieden van personen

  1. Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel van een gebouw of woonwagen op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw of woonwagen bevindende persoon, te bespieden.

  2. Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een zich in een gebouw of woonwagen bevindende persoon te bespieden.

Artikel 2:57

Loslopende honden

  1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

    1. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

    2. binnen de bebouwde kom op de weg indien de hond niet is aangelijnd;

    3. buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd;

    4. op de weg indien die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

  2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  3. Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond:

    1. die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of

    2. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

Artikel 2:58

Verontreiniging door honden

1 De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet binnen de bebouwde kom van uitwerpselen ontdoet, uitgezonderd daartoe aangewezen hondenuitlaatstroken en/of hondentoiletten.

2 Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  1. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.

  2. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven, indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.

  3. Ter uitvoering van het in het derde lid gestelde dient de eigenaar of houder van de hond een opruimmiddel bij zich te hebben.

Artikel 2:59

Gevaarlijke honden

  1. Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

  2. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.

  3. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

    1. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

    2. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en

    3. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid, aanhef onder c, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

Artikel 2:60

Houden van hinderlijke of schadelijke dieren

  1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:

    1. aanwezig te hebben;

    2. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels;

    3. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven.

  2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid.

  3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:61

Overlast van dieren

Ieder die de zorg voor een dier heeft, moet voorkomen dat dit voor een omwonende of voor de omgeving hinder veroorzaakt.

Artikel 2:62

Loslopend vee

De rechthebbende op vee, dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.

Artikel 2:63

Vernietiging van rupsen en rupsennesten

  1. Het college kan, hetzij bij openbare kennisgeving ten aanzien van het gehele gebied van de gemeente of van bepaalde delen daarvan, hetzij bij persoonlijke kennisgeving aan de rechthebbende van een of meer bepaalde percelen, mededelen dat zij het noodzakelijk achten dat aldaar in bomen of ander houtgewas voorkomende rupsen en rupsennesten verwijderd en vernietigd worden vóór een bij die kennisgeving bepaalde datum.

  2. De rechthebbende op percelen binnen het bij die openbare kennisgeving aangewezen gebied of van de in de persoonlijke kennisgeving aangeduide percelen is verplicht vóór de door het college bepaalde datum te zorgen, dat de in bomen of ander houtgewas op zijn perceel voorkomende rupsen en rupsennesten verwijderd en vernietigd zijn.

Artikel 2:64

Bijen

  1. Het is verboden bijen te houden:

    1. binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven;

    2. binnen een afstand van 30 meter van de weg.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.

  3. Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet voor zover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid.

  4. Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.

  5. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

  6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:65

Bedelarij

Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken.

Artikel 2:66

Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. Handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht

  2. Verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar.

Artikel 2:67

Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

  1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin onverwijld op te nemen:

    1. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

    2. de datum van verkoop of overdracht van het goed;

    3. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen – voor zover dat mogelijk is – soort, merk en nummer van het goed;

    4. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed;

    5. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

  2. De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze verplichtingen.

  3. Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:68

Voorschriften als bedoeld in artikel 437 ter, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

  1. wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437 ter, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar er schriftelijk van in kennis stelt dat hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt, daarbij tevens schriftelijk opgave te doen van zijn woonadres en van het volledig adres van elke lokaliteit door hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik genomen;

  2. de onder a bedoelde functionaris onder aanbieding van zijn register(s) onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen, schriftelijk in kennis te stellen van een verandering van zijn woonadres, zomede van het adres of de adressen van een bij hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik zijnde lokaliteit;

  3. aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming is gevestigd een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar voorkomen;

  4. indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan, hiervan onverwijld kennis te geven aan de onder a bedoelde functionaris;

  5. zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage te geven aan de burgemeester of een daartoe door de burgemeester aangewezen ambtenaar;

  6. wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een beroep of gewoonte te maken, onderscheidenlijk het beroep van handelaar niet langer uitoefent, de onder a bedoelde functionaris hiervan onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen.

Artikel 2:69

Vervreemding van door opkoop verkregen goederen

Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen dat het onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging aan te brengen tenzij deze wijziging van geen invloed is op de herkenbaarheid van het goed.

Artikel 2:71

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan:

  1. vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.

  2. Carbid: calciumcarbide (CaC2)

  3. Carbidschieten: het in een bus, container, opslagvat of ander object op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen carbid en een vloeistof (water) of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen en waarbij als gevolg van die verbranding een voorwerp kan worden afgeschoten.

Artikel 2:72

Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen

  1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college.

  2. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:73

Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

  1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.

  2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.

  3. De verboden bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

  4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  5. Op de ontheffing genoemd in het vierde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:73a

Schieten met carbid of soortgelijke stoffen

  1. Het is verboden binnen de bebouwde kom carbid te schieten.

  2. Het is verboden in het belang van het voorkomen van gevaar, schade, of overlast op een door het college aangewezen plaats of deel van de gemeente gelegen buiten de bebouwde kom carbid te schieten.

  3. Het is verboden in een verbodsgebied carbid of een andere grondstof of vloeistof waarmee een explosie kan worden veroorzaakt op een openbare plaats voorhanden te hebben, te vervoeren of onbeheerd achter te laten.

  4. Het verbod om carbid of een andere stof als bedoeld in het derde lid voorhanden te hebben en te vervoeren is niet van toepassing op degene die aannemelijk maakt dat hij die stof nodig heeft in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf

  5. Het college kan gelet op de belangen als vermeld in het tweede lid voor de niet verboden plaatsen en delen van de gemeente nadere regels stellen.

  6. De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:74

Drugshandel op straat

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden of zich op of aan de weg in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Artikel 2:74a

Openlijk drugsgebruik

Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

Artikel 2:75

Bestuurlijke ophouding

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in artikel 2:1, 2:10, 2:11, 2:16, 2:19, 2:22, 2:26, 2:47, 2:47a, 2:48, 2:49, 2:50, 2:73 of 5:34 groepsgewijs niet naleven.

Artikel 2:76

Veiligheidsrisicogebieden

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel 2:77

Cameratoezicht op openbare plaatsen

  1. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

  2. De burgemeester heeft de bevoegdheid, als bedoeld in het eerste lid, eveneens ten aanzien van voor het publiek openstaande gebouwen of ruimten.

Artikel 2:78

Gebiedsontzeggingen

Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet

1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

2. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke:

  1. geluid- of geurhinder;

  2. hinder van dieren;

  3. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;

  4. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;

  5. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.

Afdeling 16 Huisvesting arbeidsmigranten

Artikel 2:80 Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

a. arbeidsmigranten: arbeidsmigranten: personen die hun vaste woon-, of verblijfplaats in een ander Europees land dan Nederland hebben en op grond van een EU-paspoort of tewerkstellingsvergunning legaal in Nederland werkzaam zijn;

b. huisvestingsvoorziening: voor (tijdelijke) bewoning van arbeidsmigranten geschikt gemaakte woningen of gebouwen of tijdelijke bouwwerken.

Artikel 2:81 Exploitatievergunning huisvestingsvoorziening arbeidsmigranten

1. Het is verboden zonder vergunning van het college een huisvestingsvoorziening te exploiteren voor de huisvesting van meer dan vier arbeidsmigranten.

2. Een vergunning wordt per huisvestingsvoorziening aangevraagd door:

  1. een in de gemeente Asten gevestigde ondernemer ten behoeve van de huisvesting van voor zijn onderneming werkzame arbeidsmigranten;

  2. een Algemene Branchevereniging voor Uitzendondernemingen (ABU);

  3. een door de Vereniging van Internationale Arbeidsbemiddelaars (VIA) gecertificeerd uitzendbureau; of

  4. de eigenaar van de locatie waar gehuisvest wordt, in ieder geval wanneer het gaat om huisvesting van arbeidsmigranten in de recreatieve sector.

3. In de aanvraag voor de vergunning wordt in ieder geval vermeld:

  1. de persoonsgegevens en contactgegevens van de exploitant en beheerder;

  2. het adres van de huisvestingsvoorziening;

  3. het aantal personen dat in de huisvestingvoorziening verblijf wordt verschaft;

  4. de periode waarin in de huisvestingsvoorziening aan de personen verblijf wordt verschaft;

  5. de totale woonoppervlakte die in de huisvestingvoorziening voor verblijf beschikbaar is;

  6. het aantal beschikbare parkeerplaatsen.

4. Het college kan ter bescherming van de belangen als genoemd in artikel 1:8 en in het belang van de bescherming van de woon- en leefomgeving nadere regels stellen.

5. Een vergunning wordt verleend voor een bepaald aantal huisvestingsplaatsen.

Artikel 2:82 Gedragseisen exploitant en beheerder

De exploitant en de beheerder:

a. staan niet onder curatele;

b. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag, zulks ter beoordeling van het college;

c. hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.

Artikel 2:83 Weigeringsgronden

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert het college de exploitatievergunning indien:

a. aannemelijk is dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de huisvestingsvoorziening op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed;

b. het beoogde gebruik in strijd is met het omgevingsplan.

c. niet voldaan wordt aan de Beleidsnotitie Arbeidsmigranten Gemeente Asten 2020 dan wel de regeling die daarop volgt;

d. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 2:81 en artikel 2:82 gestelde eisen.

Artikel 2:84 Verschaffing gegevens nachtregister

Op deze afdeling is afdeling 9 van overeenkomstige toepassing voor zover er sprake is van nachtverblijf.

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten hoogste 48 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.

  2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste twaalf weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.

  3. Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven indien het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen twaalf maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt.

  4. De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt.

  5. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.

  6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

  7. Op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in dit artikel is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening 2017 (APV)