Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde
Hoofdstuk Seksbedrijven e.d.
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Hoofdstuk Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk

Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Artikel 4:1

Overige geluidhinder

  1. Het is verboden toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

  3. Het college kan terreinen of wateren aanwijzen, waar het verbod, vervat in het eerste lid, niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van toestellen of geluidsapparaten, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van (geluid)hinder.

  4. De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betreffen:

    • het maximale geluidsniveau;

    • de situering van geluidsbronnen;

    • de frequentie en tijden van gebruik.

  5. Het verbod geldt niet voor in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde voorschriften, de Wet geluidhinder, de Wegenverkeerswet 1994, de Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet, het Reglement Verkeersregels en verkeerstekens 1990, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening Utrecht 2013 van toepassing zijn.

  6. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

Artikel 4:2

Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel 4:3

Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Artikel 4:4

Plakken en kladden

  1. Het is verboden een openbare plaats of een gedeelte van een onroerende en/of roerende zaak dat vanaf een openbare plaats of openbaar water zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

  2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats op een gedeelte van een onroerende en/of roerende zaak dat vanaf een openbare plaats of openbaar water zichtbaar is:

    1. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

    2. met kalk, teer of een kleur of verfstof, niet zijnde stoepkrijt, een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

  3. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

  4. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  5. Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

  6. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

Artikel 4:5

Vervoer plakgereedschap e.d.

  1. Het is verboden op een openbare plaats of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap.

  2. Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 4:4, eerste, tweede en vijfde lid.

Artikel 4:5a

Winkelwagentjes

  • Het is verboden een winkelwagentje te deponeren of achter te laten op of aan een openbare plaats, anders dan op plaatsen die daartoe door de rechthebbende zijn aangewezen.

  • Het college kan gebieden aanwijzen waarbinnen bedrijven die winkelwagentjes ter beschikking stellen verplicht worden op of aan een openbare plaats achtergelaten of gedeponeerde winkelwagentjes direct te verwijderen.

  • Het is de rechthebbende op een bedrijf verboden winkelwagentjes ten behoeve van het publiek ter beschikking te stellen zonder dat deze zijn voorzien van een duidelijk leesbare aanduiding van de naam en het adres van het bedrijf.

  • Het bepaalde in het derde lid geldt niet voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is.

Artikel 4:5b Verbod oplaten ballonnen

1. Het is verboden een ballon, van welk materiaal dan ook, door middel van helium of enig ander gas dat lichter dan lucht is, op te laten in de buitenlucht zonder dat deze op enige wijze met het aardoppervlak verbonden is.

2. Onder ballon wordt verstaan: feest-, geluks-, papier-, wens-, sfeer-, herdenkings-, reclameballon of – lampion en dergelijke.

3. Het verbod is niet van toepassing op vaartuigen als bedoeld in de Wet luchtvaart.

Artikel 4:6

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. boom: een houtachtig, overblijvend gewas, dat:

    • een- of meerstammig kan zijn, waarbij in geval van meerstammigheid de stammen zich bovengronds moeten vertakken;

    • een dwarsdoorsnede van de stam, of bij meerstammigheid de dwarsdoorsnede van de dikste stam, van 15 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld heeft;

  2. houtopstand: zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend die:

    a. een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer

    b. bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen;

  3. hakhout: een of meer bomen of boomvormers, die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;

  4. knotten/kandelaberen: het tot op de snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud;

  5. bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming;

  6. boomwaarde: het getal dat wordt gevonden door het product van de volgende factoren:

    • de oppervlakte in vierkante centimeters van de dwarsdoorsnede op 1,3 meter boven het maaiveld;

    • de geïndexeerde eenheidsprijs per vierkante centimeter; de standplaatswaarde;

    • de conditiewaarde;

    • de waarde van de plantwijze;

      g.vellen: afzagen, afhakken, rooien met inbegrip van verplanten en het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

Artikel 4:7

Omgevingsvergunning voor het kappen van een boom of vellen van een houtopstand

  1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een handeling te verrichten als is beschreven in artikel 2.2, eerste lid onder g. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor houtopstanden buiten de bebouwde kom in de zin van hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming.

    3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor:

    1. houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving of last van het college, zulks onverminderd het bepaalde in de artikelen 4:11 en 4:12;

    2. het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

    3. het periodiek knotten of kandelaberen als cultuurmaatregel bij daarvoor geschikte boomsoorten;

    4. bomen met een dwarsdoorsnede van de stam tot maximaal 15 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld;

    5. bomen met een ouderdom van 49 jaar of jonger die zich bevinden op een kadastraal perceel van gelijk of minder dan 300 m2;

    6. bomen met een ouderdom van 49 jaar of jonger die zich bevinden in een tuin behorende bij een verhuurde woning en, waarvan de grootte van de verhuurde eenheid inclusief tuin gelijk of minder is dan 300 m2.

Artikel 4:8

Vergunningvoorschriften en weigeringsgronden

  1. Het bevoegd gezag kan de vergunning weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van:

    1. ecologische waarde;

    2. ruimtelijke waarde;

    3. milieuwaarde;

    4. cultuurhistorische waarde.

  2. Het bevoegd gezag kan bij het weigeren of onder voorschriften verlenen van een vergunning tevens de boomwaarde als motivering hanteren.

Artikel 4:9

Bijzondere vergunningvoorschriften

  1. In de aan de vergunning te verbinden voorschriften wordt in ieder geval bepaald dat binnen 36 maanden vanaf het moment dat de kapvergunning is verleend en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen, op of zeer nabij de kaplocatie wordt herplant. De voorschriften kunnen onder andere de locatie en wijze van herplant, vervanging bij niet-geslaagde herplant betreffen. Hierbij wordt de volgende volgorde aangehouden: 1. Herplant op locatie, 2. Herplant dichtbij locatie, 3. Herplant elders. Als blijkt dat herplant niet mogelijk is, kan in het uiterste geval worden overgegaan tot financiële compensatie waarbij de inkomsten worden geoormerkt voor het aanplanten van bomen en groen elders in de gemeente Utrecht.

  2. Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen tevens behoren aanwijzingen ter bescherming van flora en fauna, met name het niet uitvoeren van velwerkzaamheden ter bescherming van broedende vogels.

  3. In geval van noodkap wordt herplant overeenkomstig het bepaalde in lid 1.

  4. Het bevoegd gezag kan, in omstandigheden die dit noodzaken, van het bepaalde in lid 1 en lid 3 gemotiveerd afwijken. Van noodzaak kan enkel sprake zijn in het geval van: onder- of bovengronds ruimtegebrek, onveiligheid, klimaat- of gezondheidsredenen.

Artikel 4:10

Afstand van de grenslijn

De afstand als bedoeld in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 50 centimeter voor bomen en nihil voor heggen en heesters.

Artikel 4:11

Herplant-/instandhoudingsplicht

  1. Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn.

  2. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.

  3. Indien een houtopstand waarop het verbod tot het vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, door uitvoering van werkzaamheden, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.

  4. Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid is opgelegd, alsmede aan diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

Artikel 4:12

Bestrijding van boomziekten

  1. Indien zich op een terrein één of meer bomen of andere houtopstand bevinden, die naar het oordeel van het bevoegd gezag gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de insecten, die boomziekten verspreiden, is de eigenaar of de publiekrechtelijk bevoegde op aanschrijving van het college en binnen de door haar te stellen termijn verplicht:

    1. de houtopstand te vellen;

    2. de houtopstand ter plaatse te ontbasten en de bast te vernietigen;

    3. de niet ontbaste bomen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen, dat verspreiding van boomziekten wordt voorkomen;

    4. in geval van iepziekte alle hierboven onder a., b. en c. genoemde maatregelen te treffen;

    5. alle andere maatregelen te treffen ter voorkoming van boomziekten behoudens beperkingen bij of krachtens de Plantgezondheidswet gesteld.

  2. Het is verboden gevelde door boomziekte aangetaste bomen, of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, tenzij het betreft geheel ontbast hout of hout met een doorsnede kleiner dan 4 cm.

  3. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod, als bedoeld in het tweede lid.

← terug naar Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010