In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. boom: een houtachtig, overblijvend gewas, dat:

    • een- of meerstammig kan zijn, waarbij in geval van meerstammigheid de stammen zich bovengronds moeten vertakken;

    • een dwarsdoorsnede van de stam, of bij meerstammigheid de dwarsdoorsnede van de dikste stam, van 15 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld heeft;

  2. houtopstand: zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend die:

    a. een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer

    b. bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen;

  3. hakhout: een of meer bomen of boomvormers, die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;

  4. knotten/kandelaberen: het tot op de snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud;

  5. bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming;

  6. boomwaarde: het getal dat wordt gevonden door het product van de volgende factoren:

    • de oppervlakte in vierkante centimeters van de dwarsdoorsnede op 1,3 meter boven het maaiveld;

    • de geïndexeerde eenheidsprijs per vierkante centimeter; de standplaatswaarde;

    • de conditiewaarde;

    • de waarde van de plantwijze;

      g.vellen: afzagen, afhakken, rooien met inbegrip van verplanten en het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.