Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde
Hoofdstuk Seksbedrijven e.d.
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Hoofdstuk Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk

Algemene bepalingen

Artikel 1:1

Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  1. het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht;

  2. openbare plaats: een voor het publiek toegankelijke plaats, waaronder begrepen de weg als bedoeld onder c.;

  3. weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;

  4. openbaar water: alle wateren die al of niet met enige beperking voor het publiek toegankelijk of bevaarbaar zijn;

  5. bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet, bij hun besluit van 26 februari 2008;

  6. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;

  7. voertuigen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals kinderwagens en kruiwagens, en rolstoelen;

  8. vaartuig: elk drijvend lichaam dat wegens zijn drijfvermogen wordt gebruikt, dan wel bestemd of geschikt is voor het vervoer te water van personen of goederen of voor het dragen van al dan niet met het drijvende lichaam één geheel uitmakende voorwerpen;

  9. woonschip: een vaartuig dat aan romp en opbouw herkenbaar is als schip en dat hoofdzakelijk wordt gebruikt voor of is bestemd tot woon- en nachtverblijf;

  10. bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;

  11. gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

  12. VERVALLEN

  13. verblijfsontzegging: een verbod om zich gedurende een bepaalde periode in een aangewezen gebied te bevinden;

  14. bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  15. omgevingsvergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  16. bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;

  17. motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

  18. parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

Artikel 1:2

Beslistermijn

    1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.

    2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen.

    3. In afwijking van het eerste en tweede lid beslist het bestuursorgaan binnen een termijn van twaalf weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen op:

    1. een aanvraag voor een vergunning voor het exploiteren van een seksbedrijf of escortbedrijf, zoals beschreven in afdeling 3.2 van deze verordening;

    2. een aanvraag voor een vergunning voor evenementen, zoals beschreven in de afdelingen 5.7A en 5.7B van deze verordening;

    3. een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals beschreven in artikel 2:11, 2:12 en afdeling 4.3 van deze verordening'.

  1. Het bestuursorgaan kan de termijn voor een beslissing op een aanvraag voor een vergunning beschreven in dit artikel onder het derde lid ten hoogste met twaalf weken verlengen.

Artikel 1:4

Voorschriften en beperkingen

  1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

  2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Artikel 1:5

Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.

Artikel 1:6

Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:

  1. indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

  2. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

  3. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

  4. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn of

  5. indien de houder of zijn rechtverkrijgende dit verzoekt.

Artikel 1:7

Termijnen

  1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

  2. Voor zover in deze verordening sprake is van termijnen in uren, bepaald door terugrekening van een tijdstip of gebeurtenis, en deze eindigen op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, worden de termijnen geacht te eindigen om 12.00 uur op de voorgelegen dag, die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.

Artikel 1:8

Weigeringsgronden

  1. De vergunning of ontheffing kan door het daartoe bevoegde gezag of het bevoegde orgaan worden geweigerd in het belang van:

    1. de openbare orde;

    2. het voorkomen of beperken van overlast;

    3. de verkeersveiligheid;

    4. de veiligheid van personen of goederen;

    5. de zedelijkheid of de gezondheid of

    6. de bescherming van het milieu

  2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend.

Artikel 1:9

Experiment

  1. Onder experiment wordt in dit artikel verstaan: het tijdelijk afwijken van één of meer bepalingen van deze verordening met het oog op het verzamelen van gegevens om te beoordelen of de afwijking permanent kan worden gemaakt.

  2. Het college of de burgemeester kan, ieder voor zover bevoegd, bij wijze van experiment besluiten om af te wijken van de volgende onderdelen in deze verordening:

    1. de artikelen 2:7, 2:8, 2:9, 2:11, 2:12, 2:32, 2:33, 2:36, 2:44;

    2. de artikelen 4:1, 4:4, 4:5 en 4:5a;

    3. de artikelen 5:1 tot en met 5:10, 5:11, 5:13, 5:16, 5:17, 5:21, 5:31 en 5:32.

  3. Voordat het college of de burgemeester een besluit, bedoeld in het tweede lid, neemt, zendt het college of de burgemeester het ontwerpbesluit naar de gemeenteraad en wordt de gemeenteraad gedurende vier weken in de gelegenheid gesteld zijn wensen en bedenkingen kenbaar te maken. Het college of de burgemeester informeert de gemeenteraad over het definitieve besluit en reageert daarbij op de wensen en bedenkingen.

  4. In het besluit wordt in ieder geval vermeld:

    1. van welke bepaling of bepalingen in deze verordening wordt afgeweken;

    2. het doel van het experiment;

    3. de voorwaarden die het college of de burgemeester verbindt aan het experiment;

    4. de tijdsduur van het experiment, welke maximaal één jaar bedraagt;

    5. het gebied waarin het experiment geldt.

  5. Het experiment wordt geëvalueerd binnen de voor het experiment vastgestelde tijdsduur als bedoeld in het vierde lid onder d. Als de evaluatie leidt tot aanpassing van deze verordening in overeenstemming met de wijze waarop het experiment is uitgevoerd, kan het college of de burgemeester besluiten om het experiment éénmalig te verlengen met maximaal de voor het experiment vastgestelde tijdsduur. De verlenging eindigt in dat geval na ommekomst van de verlengde termijn of zoveel eerder als de aanpassing van deze verordening in werking treedt.

← terug naar Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010