Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde
Hoofdstuk Seksbedrijven e.d.
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Hoofdstuk Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk

Openbare orde

Artikel 2:1

Bevel politie weg te vervolgen of zich te verwijderen

Hij die op een openbare plaats aanwezig is bij enig voorval waardoor de openbare orde wordt of dreigt te worden verstoord, of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een opsporingsambtenaar onmiddellijk zijn weg te vervolgen of zich in een bepaalde richting te verwijderen.

Artikel 2:2

Verstoring van de openbare orde e.d.

  1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 424, 426 bis en 431 van het Wetboek van Strafrecht is het verboden op of aan een openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, op enigerlei wijze:

    1. de orde te verstoren;

    2. zich hinderlijk te gedragen;

    3. personen lastig te vallen;

    4. te vechten;

    5. deel te nemen aan een samenscholing;

    6. onnodig op te dringen of

    7. door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.

  2. Het is verboden om in het geval van wanordelijkheden of indien er ernstig gevaar voor het ontstaan daarvan dreigt, op de in het eerste lid genoemde plaatsen een voorwerp of stof kennelijk meegebracht om die orde te verstoren, bij zich te hebben.

  3. Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen of openbare plaatsen, wanneer deze door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet.

  4. Het is verboden een voorwerp dat ter afzetting of afsluiting van een gedeelte van de weg of vanwege het bevoegde gezag is aangebracht, te verplaatsen, te verwijderen of omver te halen.

Artikel 2:3

Verblijfsontzegging

  1. De burgemeester kan gebieden aanwijzen waar hij aan personen een verblijfsontzegging kan opleggen.

  2. De burgemeester gaat alleen over tot aanwijzing van een gebied als bedoeld in het eerste lid, indien naar zijn oordeel sprake is van ernstige verstoring van de openbare orde.

  3. De burgemeester kan een verblijfsontzegging opleggen aan personen die in het aangewezen gebied de openbare orde verstoren door:

    1. handelen in strijd met het bepaalde in de artikelen 2:1, 2:2, 2:22a, 2:27, eerste lid onder b, 2:28, 2:29, 2:45, 2.45a, 2:45b en artikel 3:17 van deze verordening;

    2. het bezit, de handel of het gebruik van in de Opiumwet verboden middelen;

    3. het bezit van wapens, messen en andere voorwerpen die als steek- of slagwapen kunnen worden gebruikt;

    4. diefstal, inbraak, heling, vernieling of andere vermogensdelicten of

    5. geweldpleging of bedreiging.

  4. De burgemeester bepaalt in de verblijfsontzegging de termijn waarvoor deze geldt.

  5. De burgemeester kan indien de belanghebbende een aantoonbaar belang heeft om zich binnen het aangewezen gebied te begeven de verblijfsontzegging naar tijd en plaats beperken.

  6. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegde verblijfsontzegging.

Artikel 2:4

Veiligheidsrisicogebieden

De burgemeester kan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 151b van de Gemeentewet, bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een veiligheidsrisicogebied aanwijzen.

Artikel 2:5

Cameratoezicht op openbare plaatsen

  1. De burgemeester is, indien dat in het belang van de handhaving van de openbare orde nodig is, bevoegd om op basis van artikel 151c van de Gemeentewet voor een bepaalde duur camera’s in te zetten ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats, als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties.

  2. De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere voor een ieder toegankelijke parkeerplaatsen of parkeerterreinen.

Artikel 2.6

Kennisgeving openbare manifestaties op openbare plaatsen

  1. Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensovertuiging te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 24 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.

  2. De kennisgeving bevat:

    1. naam en adres van degene die de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensovertuiging houdt;

    2. het doel van de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensovertuiging;

    3. de datum waarop de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensovertuiging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

    4. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;

    5. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;

    6. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

  3. Hij die een kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving, alsmede de eventueel door de burgemeester gestelde voorschriften zijn vermeld.

  4. Indien het tijdstip van de openbare manifestatie valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag, een maandag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk om 12.00 uur van de werkdag die aan de dag van dat tijdstip vooraf gaat.

  5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.

  6. Van op vooraf bepaalde tijdstippen regelmatig terugkerende betogingen, vergaderingen of samenkomsten tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing, kan, voordat deze voor de eerste keer worden gehouden, eenmalig schriftelijk kennis worden gegeven. De voorafgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2:7

Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen en monsters

  1. Het is, voor zover dit geen betrekking heeft op de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, verboden om reclame te maken door middel van gedrukte of geschreven stukken, afbeeldingen, monsters of brochures dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.

  2. Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

  3. Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen, zoals genoemd in artikel 23a lid 2 van de Afvalstoffenverordening Utrecht 2010.

  4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Artikel 2:8

Straatartiest e.d.

  1. Het is verboden om op een openbare plaats of het openbaar water:

    1. op te treden als straatartiest of

    2. muziek te maken met een draaiorgel dat door middel van een voertuig wordt verplaatst.

  2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  3. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Artikel 2:9

Voorwerpen of stoffen aan, op, in of boven de weg

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college voorwerpen of stoffen aan, op, in, of boven de weg te plaatsen, aan te brengen, te hebben of te storten.

  2. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op:

    1. vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt;

    2. zonneschermen, mits deze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits:

      • geen onderdeel zich minder dan 220 cm boven dat gedeelte bevindt;

      • geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 50 cm van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt;

      • geen onderdeel verder dan 150 cm buiten de opgaande gevel reikt;

      • deze niet voor commerciële doeleinden zijn bestemd;

    3. de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is;

    4. voertuigen;

    5. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard, mits deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging:

      • geen schade toebrengen aan de weg;

      • geen gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;

      • geen belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    6. standplaatsen als bedoeld in Marktverordening gemeente Utrecht 2017 en de artikelen 5:13 en 5:14 van deze verordening;

    7. portieken van een winkel- of verkoopplaats;

    8. terrassen, waarvoor op grond van de Verordening horeca gemeente Utrecht een vergunning is verleend;

    9. steigers en containers bestemd voor het bouwen of slopen van een bouwwerk mits:

      • deze buiten de binnenstad, zoals deze is vastgesteld in de wijk- en buurtindeling, is gelegen;

      • deze korter dan vier weken zijn geplaatst;

      • deze minder oppervlakte in beslag nemen dan 15 m²;

      • deze niet in strijd met overige regelgeving is;

      • deze geen schade toebrengt aan de weg;

      • deze geen gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik ervan;

      • deze geen belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

      • een goede en veilige doorgang voor minder validen gegarandeerd blijft;

      • geen overlast met het plaatsen en hebben van deze voorwerpen wordt veroorzaakt;

      • voor het gebruik van een parkeerapparatuurplaats of een belanghebbendenplaats parkeerplaatsengeld wordt geheven.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning bedoeld in het eerste lid worden geweigerd, indien:

    1. het beoogde voorwerp of stof schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    2. indien het beoogde voorwerp of stof hetzij op zich zelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    3. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

  4. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Telecommunicatiewet, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenverordening provincie Utrecht 2010, de Verordening ondergrond: kabels, leidingen en boomwortels gemeente Utrecht, of de Afvalstoffenverordening Utrecht 2010 van toepassing zijn, of voor zover er sprake is van evenementen als bedoeld in de artikelen 5:20 en 5:30 van deze verordening waarvoor door de burgemeester een vergunning is verleend, of voor zover er sprake is van een straat- of buurtfeest waarvan melding is gemaakt als bedoeld in artikel 5:32 van deze verordening, of een terras als bedoeld in de Verordening horeca gemeente Utrecht en de daarbij behorende beleidsregel terrassen gemeente Utrecht, of voor zover sprake is leidingen en installaties voor warmte koude opslag (WKO).

  5. De vergunning als bedoeld in het eerste lid is, in afwijking van artikel 1:5, zaaksgebonden.

  6. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

Artikel 2:9a

Uitstallingen

Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving regels stellen ten aanzien van uitstallingen.

Artikel 2.9b

Hinderlijke beplanting

Het is verboden beplanting aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan voor weggebruikers het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor weggebruikers hinder of gevaar ontstaat.

Artikel 2:11

Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle niet-openbare ontsluitingswegen van gebouwen.

  3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak.

  4. Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Wegenverordening Provincie Utrecht 2010, de waterschapskeuren, de Telecommunicatiewet, of de Verordening ondergrond: kabels, leidingen en boomwortels gemeente Utrecht.

  5. De vergunning als bedoeld in het eerste lid is, in afwijking van artikel 1:5, zaaksgebonden.

Artikel 2:12

Maken, veranderen van een uitweg

  1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een handeling te verrichten als is beschreven in artikel 2.2, eerste lid onder e. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning worden geweigerd in het belang van:

    1. de bruikbaarheid van de weg;

    2. het doelmatig en veilig gebruik van de weg;

    3. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

    4. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente of vanwege strijd met het omgevingsplan.

  3. De vergunning als bedoeld in het eerste lid is, in afwijking van artikel 1:5, zaaksgebonden.

Artikel 2:13

Openen straatkolken e.d.

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan, brandput of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2:14

Rookverbod in parken, bossen en natuurterreinen

  1. Het is verboden in parken, bossen en natuurterreinen of binnen een afstand van dertig meter daarvan:

    a. te roken gedurende een door het college aangewezen periode;

    b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.

  3. Het verbod in het eerste lid, onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.

Artikel 2:15

Voorzieningen voor verkeer en verlichting

  1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  2. Het bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterwet, de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.

Artikel 2:16

Begripsomschrijvingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. organisator:

    1. de betaaldvoetbalorganisatie F.C. Utrecht, indien het betreft een voetbal wedstrijd waarbij het eerste elftal van de betaaldvoetbalorganisatie FC Utrecht als thuisspelende ploeg betrokken is;

    2. de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond, indien het betreft een voetbalwedstrijd tussen voetbalorganisaties afkomstig van buiten de gemeente Utrecht, waarbij tenminste één betaaldvoetbalorganisatie is betrokken, dan wel in geval van wedstrijden tussen vertegenwoordigende elftallen;

    3. degene die buiten de gevallen genoemd onder 1 en 2 een voetbalwedstrijd organiseert, waarbij tenminste één betaaldvoetbalorganisatie is betrokken.

  2. voetbalwedstrijd: een voetbalwedstrijd georganiseerd door een organisator als bedoeld onder a.

Artikel 2:17

Vergunningplicht

  1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een voetbalwedstrijd te houden of te doen houden.

  2. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan meerdere wedstrijden betreffen.

  3. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Artikel 2:18

Indienen aanvraag

  1. De aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 2:17 dient te geschieden door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier.

  2. In de aanvraag om een vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld:

    1. de gegevens van de organisator;

    2. de deelnemende voetbalorganisaties;

    3. de geplande datum, tijdstip en locatie van de wedstrijd.

  3. De aanvraag dient vergezeld te gaan van een door de organisator op te stellen veiligheidsplan.

Artikel 2:19

Weigeringsgronden

  1. De burgemeester kan een vergunning als bedoeld in artikel 2:17 in het belang van de openbare orde en veiligheid weigeren indien:

    1. de vrees bestaat voor het ontstaan van een ernstige verstoring van de openbare orde;

    2. het aannemelijk is dat de aan de vergunning verbonden voorschriften niet zullen worden nageleefd;

    3. de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van de voetbalwedstrijd.

  2. De burgemeester weigert een vergunning als bedoeld in artikel 2:17 indien niet voldaan is aan het bepaalde in artikel 2:18.

Artikel 2:20

Bevel politie

Personen, van wie uit feiten en omstandigheden blijkt, dat zij zich als voetbalsupporter manifesteren, zijn verplicht zich op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie, met inachtneming van de door hem in het belang van de handhaving van de openbare orde gegeven aanwijzingen, naar een in het bevel aangegeven plaats, dan wel buiten de gemeentegrenzen te begeven.

Artikel 2:21

Speelgelegenheden

  1. In dit artikel wordt verstaan onder:

    1. speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden een spel te beoefenen;

    2. spel: spel, gespeeld in een speelgelegenheid als bedoeld onder a, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.

  2. Onverminderd hetgeen is bepaald in de Wet op de kansspelen is het verboden zonder vergunning een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren.

  3. Onverminderd hetgeen is bepaald in de Wet op de kansspelen is het verboden deel te nemen aan een spel.

  4. De verboden in het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op speelgelegenheden waarvoor vergunning is verleend op grond van de Wet op de kansspelen of op grond van de Verordening op de speelautomatenhallen als bedoeld in artikel 30c, eerste lid van de Wet op de kansspelen.

  5. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Artikel 2:22

Speelautomaten

  1. In dit artikel wordt verstaan onder:

  2. Wet: de Wet op de kansspelen;

  3. kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet;

  4. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet;

  5. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet.

  6. In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee kansspelautomaten toegestaan.

  7. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

Artikel 2.22a

Spelen om geld

Onverminderd het bepaalde in de Wet op de Kansspelen is het verboden op de openbare plaats om geld of in geld inwisselbare voorwerpen te spelen.

Artikel 2:23

Betreden gesloten woning, lokaal en erf

  1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

  2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

  3. Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.

Artikel 2:24

Vervoer inbrekerswerktuigen

  1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen, zoals lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns e.d. te vervoeren of bij zich te hebben, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de genoemde voorwerpen of middelen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor het verschaffen van de in het eerste lid bedoelde handelingen.

Artikel 2.24a

Technische hulpmiddelen

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 10.15 van de Telecommunicatiewet, artikel 139d, tweede lid onder a en artikel 350d van het Wetboek van Strafrecht is het verboden op een openbare plaats technische hulpmiddelen te vervoeren, te gebruiken of bij zich te hebben die tot doel hebben het voorbereiden, faciliteren, plegen, afschermen of verhullen van strafbare feiten waarmee de openbare orde kan worden verstoord.

  2. Het verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het technische hulpmiddel niet is bestemd of gebruikt voor de in het eerste lid bedoelde handelingen.

Artikel 2:25

Bezit of vervoer van hulpmiddelen voor winkeldiefstal

  1. Het is verboden op of aan de openbare plaats in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen.

Artikel 2:25a

Vervoer van stoffen die brand bevorderen

1. Het is verboden op een openbare plaats stoffen te vervoeren of bij zich te hebben die brand bevorderen en die gebruikt kunnen worden om brand te stichten, brandstichting te vergemakkelijken of door brand sporen te wissen.

2. Het verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de genoemde stoffen niet zijn bestemd of gebruikt voor de in het eerste lid bedoelde handelingen.

Artikel 2:26

Betreden van plantsoenen e.d.

1. Het is verboden zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, begraafplaatsen, plantsoenen, groenstroken of enige andere openbare beplanting of bloemperk, buiten de daarin gelegen wegen, paden, grasperken, lig- of speelweides.

  1. Het verbod is niet van toepassing voor zover:

    1. onderhoudswerkzaamheden of

    2. werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam worden verricht.

Artikel 2:27

Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

  1. Het is verboden:

    1. op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair e.d.;

    2. zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan gebruikers van de openbare plaats of gebruikers of bewoners van nabij de openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt

  2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:28

Hinderlijk drankgebruik

  1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op de openbare plaats of het openbaar water, dat deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

  2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:

    1. een terras, als bedoeld in de Verordening horeca gemeente Utrecht;

    2. de plaats, niet zijnde een inrichting, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.

  3. Het college kan het verbod in een aangewezen gebied beperken tot bepaalde tijdstippen.

Artikel 2:29

Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen

Het is verboden:

  1. zich zonder redelijk doel in een portiek, poort of bordes of onder een overkapping en dergelijke op te houden;

  2. in, op of tegen een raamkozijn, drempel of bordes en dergelijke van een gebouw te zitten of te liggen.

Artikel 2:30

Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten

Het is verboden zich zonder redelijk doel of op een voor anderen hinderlijke wijze:

  1. op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte of

  2. deze te verontreinigen of

  3. deze te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.

Artikel 2:31

Liggen of slapen op of aan een openbare plaats

Het is verboden –al dan niet met gebruikmaking van enige vorm van beschutting, waaronder in ieder geval begrepen het gebruik van een auto, of caravan e.d.– op of aan een openbare plaats:

  1. tussen zonsondergang en zonsopgang te liggen of te slapen;

  2. tussen zonsopgang en zonsondergang te liggen of te slapen, nadat door een opsporingsambtenaar in het belang van de openbare orde, veiligheid of ter bestrijding van overlast is aangezegd dat dit moet worden beëindigd.

Artikel 2:32

Parkeren van fietsen en bromfietsen

  1. Het is verboden een fiets, bromfiets of vergelijkbaar vervoermiddel, al of niet voor onmiddellijk gebruik geschikt, te parkeren als daardoor:

  2. op een voetpad of trottoir de doorgang wordt gehinderd of belemmerd;

  3. de veiligheid of de doorstroming van of het uitzicht voor het verkeer wordt gehinderd;

  4. op of aan een openbare plaats hinder, overlast of schade ontstaat of

  5. voor een bewoner of gebruiker van het gebouw waartegen of waarvoor de fiets, bromfiets of vergelijkbaar vervoermiddel staat geparkeerd de doorgang of het uitzicht wordt belemmerd.

  6. Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan.

  7. Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen ter voorkoming of beëindiging van hinder, overlast of gevaar fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde fietsvoorzieningen te laten staan.

Artikel 2:33

Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.

Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, evenement, betoging of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, of op plaatsen welke ter voorkoming van hinder voor wandelend of winkelend publiek zijn aangewezen, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.

Artikel 2:34

Bespieden van personen

  1. Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te bespieden.

  2. Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindende persoon te bespieden.

Artikel 2:35

Loslopende honden

  1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

    1. binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zonder dat die hond aangelijnd is, behalve op de door het college aangewezen gebieden, mits die hond onder behoorlijk toezicht staat;

    2. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, stadsboerderij, zandbak, speelweide, begraafplaats of op een andere door het college aangewezen plaats;

    3. op een openbare plaats zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander aangebracht identificatiekenmerk, die de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

  2. De verboden genoemd in het eerste lid onder a. en b. gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleide- of hulphond laat begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleide- of hulphond.

Artikel 2:36

Verontreiniging door honden

  1. op een gedeelte van een openbare plaats dat bestemd is of mede bestemd is voor het verkeer van voetgangers;

  2. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, stadsboerderij, zandbak, speelweide of begraafplaats;

  3. op een andere door het college aangewezen plaats of aangewezen buurt, anders dan op daarvoor specifiek aangewezen plekken (hondentoiletten-uitlaatplaatsen).

  1. De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet:

  2. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.

Artikel 2:37

Gevaarlijke honden

  1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op een openbare plaats of op het terrein van een ander:

    1. anders dan kort aangelijnd nadat de burgemeester aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat hij die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt;

    2. anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat de burgemeester aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat hij die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt.

  2. Onverminderd artikel 2:35, eerste lid onder c, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip dat met een chipreader afleesbaar is.

  3. In het eerste lid wordt verstaan onder:

    1. muilkorf: muilkorf ingericht naar een model dat beantwoordt aan de volgende beschrijving: een muilkorf vervaardigd van stevige kunststof, of van stevig leer of van beide stoffen, die door middel van een stevige leren riem rond de hals zodanig is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is en die zodanig is ingericht dat de drager geen mens of dier kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn;

    2. kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een vaste lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1.50 meter.

Artikel 2:38

Houden van hinderlijke of schadelijke dieren

  1. Het is verboden één of meer dieren op een voor de omgeving hinderlijke wijze aanwezig te doen zijn.

  2. Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer gedeelten van de gemeente of bepaalde plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren:

    1. aanwezig te hebben;

    2. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels of

    3. aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven of mede is aangegeven.

  3. Het is verboden op een krachtens het tweede lid aangewezen plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben in een groter aantal dan door het college is aangegeven.

  4. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het tweede lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.

Artikel 2:38a Woonoverlast

  1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

  2. De burgemeester is, in geval van overtreding van het bepaalde in het eerste lid, bevoegd tot toepassing van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 151d, tweede en derde lid en artikel 125, eerste lid van de Gemeentewet.

  3. De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke:

    1. geluid- of geurhinder;

    2. hinder van dieren;

    3. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;

    4. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;

    5. intimidatie van derden vanuit een woning, of een erf.

  4. De burgemeester is niet bevoegd tot toepassing van de in het tweede lid genoemde bevoegdheid indien de geconstateerde hinder door hem of door een ander gemeentelijk bestuursorgaan op grond van een ander wettelijk voorschrift, niet zijnde de bevoegdheid bedoeld in artikel 174a van de Gemeentewet, kan worden beëindigd of voorkomen.

  5. De burgemeester wijst het verzoek om toepassing van bestuursdwang af indien onvoldoende is gebleken dat zich ernstige en herhaaldelijke hinder voordoet.

  6. De burgemeester zal het verzoek alleen toewijzen als de ernstige en herhaaldelijke hinder redelijkerwijs niet op een andere geschikte wijze kan worden tegengegaan.

Artikel 2:38b

Verbod voeren van dieren

  1. Het is verboden op een openbare plaats of openbaar water dieren te voeren.

  2. Het verbod geldt niet voor:

    1. personen die dieren voeren of bijvoeren in opdracht van de beheerder van de openbare plaats of het openbaar water;

    2. door het college van B&W nader aan te wijzen locaties die geschikt worden bevonden voor het recreatief voederen van dieren.

Artikel 2:39

Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:40

Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

  1. de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:

    1. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;

    2. van een verandering van de onder 1, sub a. , bedoelde adressen;

    3. als hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;

    4. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;

  2. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;

  3. aan de hoofdingang van elke vestiging een aanduiding te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;

  4. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Artikel 2:41

Verkoop van fietsen e.d. op een openbare plaats

Het is verboden op of aan een openbare plaats fietsen, bromfietsen en dergelijke voertuigen te koop aan te bieden, te verkopen of te kopen, anders dan direct vanuit een aan de weg gevestigd detailhandelsbedrijf voor rijwielen.

Artikel 2:42

Begripsbepaling consumentenvuurwerk

In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: consumentenvuurwerk waarop het Vuurwerkbesluit van toepassing is.

Artikel 2:43

Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen

  1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college van de gemeente waar het bedrijf is of zal worden gevestigd.

  2. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

Artikel 2:44

Ontbranden van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

Het is verboden om consumentenvuurwerk tussen 31 december 18.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daaropvolgende jaar tot ontbranding te brengen, met uitzondering van fop- en schertsvuurwerk.

Artikel 2:45

Handel in verdovende middelen

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan een openbare plaats post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan openbare plaatsen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden of op of aan openbaar water post te vatten, zich daar heen en weer te bewegen, alsmede zich op of aan het openbaar water in of op een vaartuig te bevinden of daarmee heen en weer te varen, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Artikel 2.45a

Verbod openlijk harddrugsgebuik

  1. Het is verboden op of aan een openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw harddrugs of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te treffen of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

  2. Dit artikel vervalt op 1 november 2026.

Artikel 2.45b

Verbod op hinderlijk lachgasgebruik

Het is verboden op of aan een openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw lachgas, een middel als bedoeld in lijst II van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te treffen of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

Artikel 2:46

Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen

  1. De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, of voor het publiek openstaande gebouwen en/of de daarbij behorende erven in bepaald gebied, in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten.

  2. Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven, waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang(en) van het gebouw of het erf.

  3. Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

  4. Het is de rechthebbende op het gebouw en/of het erf, verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven.

  5. Het is een ieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblijven.

  6. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet of de Verordening horeca gemeente Utrecht.

← terug naar Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010