1. In de aan de vergunning te verbinden voorschriften wordt in ieder geval bepaald dat binnen 36 maanden vanaf het moment dat de kapvergunning is verleend en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen, op of zeer nabij de kaplocatie wordt herplant. De voorschriften kunnen onder andere de locatie en wijze van herplant, vervanging bij niet-geslaagde herplant betreffen. Hierbij wordt de volgende volgorde aangehouden: 1. Herplant op locatie, 2. Herplant dichtbij locatie, 3. Herplant elders. Als blijkt dat herplant niet mogelijk is, kan in het uiterste geval worden overgegaan tot financiële compensatie waarbij de inkomsten worden geoormerkt voor het aanplanten van bomen en groen elders in de gemeente Utrecht.

  2. Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen tevens behoren aanwijzingen ter bescherming van flora en fauna, met name het niet uitvoeren van velwerkzaamheden ter bescherming van broedende vogels.

  3. In geval van noodkap wordt herplant overeenkomstig het bepaalde in lid 1.

  4. Het bevoegd gezag kan, in omstandigheden die dit noodzaken, van het bepaalde in lid 1 en lid 3 gemotiveerd afwijken. Van noodzaak kan enkel sprake zijn in het geval van: onder- of bovengronds ruimtegebrek, onveiligheid, klimaat- of gezondheidsredenen.