Algemene Plaatselijke Verordening Hulst 2017 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 13-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene Bepalingen
Hoofdstuk Openbare Orde
Afdeling Bestrijding van ongeregeldheden
Afdeling Betoging
Afdeling Verspreiden van gedrukte stukken
Afdeling Bruikbaarheid van de weg
Afdeling Veiligheid op de weg
Afdeling Evenementen
Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen
Afdeling Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling Toezicht op speelgelegenheden
Afdeling Speelautomaten en speelautomatenhallen
Afdeling vervallen
Afdeling Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Afdeling Bestrijding van heling van goederen
Afdeling Consumentenvuurwerk
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Hoofdstuk Seksinrichtingen, sekswinkels, e.d.
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Hoofdstuk Straf- overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk

Openbare Orde

Artikel 2:1

Samenscholing en ongeregeldheden

  1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.

  2. Degene die op een openbare plaats:

    1. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;

    2. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of

    3. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;

    is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

  3. Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.

  4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het verbod, bedoeld in het derde lid.

  5. Dit artikel geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

Artikel 2:2

Gevaarlijke voorwerpen

  1. Het is verboden op openbare plaatsen en in daaraan gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en terreinen, messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te dragen.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens, behorende tot de categorieën I, II, III en IV van de Wet wapens en munitie en voor zover door het bij zich dragen van deze voorwerpen de openbare orde of veiligheid niet in gevaar komt of kan komen.

Artikel 2:3

Vechten

Het is verboden op een openbare plaats te vechten.

Artikel 2:4

Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen

  1. Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 72 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis geven aan de burgemeester.

  2. De kennisgeving bevat:

    1. naam en adres van degene die de betoging houdt;

    2. het doel van de betoging;

    3. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

    4. de plaats en, voor zover van toepassing, de route;

    5. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;

    6. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

  3. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de ontvangst van de kennisgeving is vermeld.

  4. Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan vóór 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag.

  5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.

Artikel 2:7

Beperking verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen

  1. Het is verboden op openbare plaatsen gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder het publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op openbare plaatsen voor zover het handelsreclame betreft.

  2. Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van handelsreclame.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

Artikel 2:9

(Omgevings-)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg.

[vervallen]

Artikel 2:14

Openen straatkolken e.d.

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2:16

Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp

  1. Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht.

  3. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is.

Artikel 2:17

Vallende voorwerpen

Het is verboden langs een weg aan enig deel van een bouwwerk, werktuig of boom een voorwerp te hebben dat niet deugdelijk is beveiligd tegen neervallen op de weg.

Artikel 2:19

Objecten onder hoogspanningslijn

  1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.

  2. Het college kan van verbod ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de hoogspanningslijn dat toelaat.

  3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.

Artikel 2:20

Veiligheid op het ijs

  1. Het is verboden:

    1. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;

    2. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.

Artikel 2:21

Definities

  1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

    1. bioscoop- en theatervoorstellingen;

    2. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:21;

    3. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

    4. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

    5. speelgelegenheden als bedoeld in artikel 2:36 van deze verordening;

    6. het in een inrichting als bedoeld in de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;

    7. sportwedstrijden.

  2. Onder evenement wordt mede verstaan:

    1. een herdenkingsplechtigheid;

    2. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:4, op de weg;

    3. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg.

Artikel 2:21a

Evenementenkalender

  1. De burgemeester stelt jaarlijks vóór 31 december een Evenementenkalender vast voor het volgende kalenderjaar.

  2. Degene die voornemens is een evenement te organiseren kan jaarlijks van 1 september tot 1 november de burgemeester verzoeken een evenement te plaatsen op de Evenementenkalender van het volgende jaar. Een dergelijk verzoek is geen aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:22, eerste lid.

  3. Het verzoek moet gedaan worden op een door de burgemeester vastgesteld formulier.

  4. Aan de plaatsing van een evenement op de Evenementenkalender kunnen geen rechten worden ontleend.

Artikel 2:22

Evenementenvergunning

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

  2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning weigeren:

    1. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;

    2. in het belang van de zedelijkheid;

    3. als een evenement niet op de Evenementenkalender is geplaatst.

  4. De burgemeester kan categorieën van evenementen aanwijzen waarvoor de vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid niet geldt.

  5. De burgemeester kan evenementen als bedoeld in het vierde lid verbieden als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

  6. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:23

Openbare orde bij evenementen

Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.

Artikel 2:24

Definities

  1. Onder openbare inrichting wordt in deze afdeling verstaan: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Onder openbare inrichting worden in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis.

  2. Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte.

  3. Onder slijtersbedrijf en slijtlokaliteit wordt in deze afdeling verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.

Artikel 2:24a

Proeverijen in slijtlokaliteiten

  1. Slijtersbedrijven zijn vrijgesteld van het in artikel 3, eerste lid, en het in artikel 14, eerste lid, van de Alcoholwet vervatte verbod, ten behoeve van het tegen betaling organiseren van een proeverij in hun slijtlokaliteit.

  2. De vrijstelling geldt buiten de dagen en tijden dat de slijtlokaliteit bij of krachtens de Winkeltijdenwet regulier is opengesteld.

Artikel 2:25

Exploitatie openbare inrichting

  1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  2. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

  4. In afwijking van het bepaalde in artikel 2:8 beslist de burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die ook betrekking heeft op een of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden, over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras.

  5. De burgemeester kan de in het vierde lid bedoelde ingebruikneming van die weg ten behoeve van een of meer bij een openbare inrichting horecabedrijf behorende terrassen weigeren:

    1. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;

    2. indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.

  6. Ingeval van overdracht of beëindiging van de openbare inrichting is de houder van de vergunning verplicht hiervan onmiddellijk kennis te geven aan de burgemeester.

  7. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de vergunning.

Artikel 2:26

Eisen aan exploitant en leidinggevende

De exploitant en de leidinggevende van een openbare inrichting:

  1. staan niet onder curatele of bewind en zijn niet uit de ouderlijke macht of voogdij ontzegd;

  2. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, sub b van de Alcoholwet;

  3. hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.

Artikel 2:27

Vrijstelling vergunningplicht

De burgemeester kan vrijstelling verlenen van de vergunningplicht als bedoeld in artikel 2:25 voor een of meer in dat besluit aangeduide openbare inrichtingen.

Artikel 2:28

Handel in openbare inrichtingen

De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.

Artikel 2:29

Sluitingsuur; tijdelijke sluiting

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, de zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor een of meer openbare inrichtingen of gedeelte(n) daarvan (tijdelijke) sluitingsuren vaststellen, tijdelijk de sluiting daarvan bevelen dan wel beperkingen stellen aan het tijdstip tot waarop bezoekers mogen worden toegelaten.

    Hij brengt het besluit onmiddellijk ter kennis van de exploitant van het bedrijf dat het betreft.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

Artikel 2:30

Toelating tot en aanwezigheid in gesloten openbare inrichting

  1. Het is de exploitant van een openbare inrichting verboden, gedurende de tijd dat deze inrichting ingevolge artikel 2:29 gesloten of niet toegankelijk dient te zijn, daarin of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven.

  2. Het is verboden gedurende de tijd dat een openbare inrichting ingevolge een op grond van artikel 2:29 genomen besluit gesloten of niet toegankelijk dient te zijn, zich als bezoeker daarin of aldaar te bevinden.

Artikel 2:31

Verboden gedragingen

  1. Het is verboden in een openbare inrichting de orde te verstoren.

  2. Het is verboden spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.

Artikel 2:32

Het college als bevoegd bestuursorgaan

Indien een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:24 geen inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt niet de burgemeester, maar het college op als bevoegd bestuursorgaan ten behoeve van artikel 2:25, artikel 2:27 en artikel 2:29.

Artikel 2:33

Begripsomschrijving

In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.

Artikel 2:34

Kennisgeving exploitatie

Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie van een inrichting staakt, is verplicht binnen een week daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.

Artikel 2:34a

Nachtregister

  1. De houder van een inrichting is verplicht een register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht bij te houden, dat is ingericht volgens het door de burgemeester vastgestelde model.

  2. De houder van een inrichting of een voor hem handelend persoon is verplicht het in het eerste lid bedoelde register aan de burgemeester over te leggen op een door de burgemeester te bepalen wijze.

  3. Het nachtregister wordt ter beschikking gesteld aan de hulpdiensten.

Artikel 2:35

Verschaffing gegevens nachtregister

Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en dag van vertrek te verstrekken.

Artikel 2:36

Begripsomschrijvingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is, de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij premies, geld of in geld inwisselbare goederen kunnen worden gewonnen of verloren;

  2. exploitant: degene die krachtens een zakelijk of persoonlijk recht een speelgelegenheid exploiteert of, indien de exploitant een rechtspersoon is, de natuurlijke persoon die de onderneming krachtens de statuten vertegenwoordigt;

  3. leidinggevende: de natuurlijke persoon die de dagelijkse en onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van een speelgelegenheid.

Artikel 2:37

Exploitatie van een speelgelegenheid.

  1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen of door afdeling 10 van deze verordening.

  3. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Artikel 2:38

Aanvraag

  1. Bij een aanvraag wordt een bedrijfsplan overgelegd, waarin in ieder geval staat beschreven welk spel in de speelgelegenheid zal worden beoefend.

  2. Indien de exploitant een wijziging wenst van het soort spelen in de speelgelegenheid, deelt hij dit de burgemeester vooraf schriftelijk mede; de mededeling wordt als aanvulling op het bedrijfsplan aangemerkt.

Artikel 2:39

Eisen aan de exploitant en de leidinggevende

De exploitant en de leidinggevende van een speelgelegenheid:

  1. staan niet onder curatele of bewind en zijn niet uit de ouderlijke macht of voogdij ontzet;

  2. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;

  3. hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.

Artikel 2:40

Gronden voor weigering vergunning

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester een vergunning als:

    1. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan.

    2. de exploitant of de leidinggevende niet voldoet aan de in artikel 2:39 gestelde eisen;

    3. het woon- en leefklimaat in de omgeving van de speelgelegenheid en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig zal worden beïnvloed door de aanwezigheid van de speelgelegenheid.

  2. De burgemeester kan een vergunning weigeren indien:

    1. een eerdere vergunning voor de exploitatie van de speelgelegenheid is ingetrokken of de speelgelegenheid met toepassing van artikel 2:44 van deze verordening dan wel met toepassing van art. 13b van de Opiumwet is gesloten;

    2. naar zijn oordeel het bedrijfsplan als bedoeld in artikel 2:38 onvoldoende garanties geeft dat het in de Wet op de kansspelen bepaalde niet zal worden overtreden;

    3. het op grond van andere feiten en omstandigheden onvoldoende vaststaat dat het bepaalde in de Wet op de kansspelen niet zal worden overtreden.

Artikel 2:41

Verplichtingen van de exploitant en leidinggevende

  1. De exploitant van een speelgelegenheid is verplicht voldoende toezicht uit te oefenen op de gang van zaken gedurende de openingsuren van het bedrijf, dan wel ervoor zorg te dragen dat voldoende toezicht wordt uitgeoefend.

  2. De exploitant is verplicht als leidinggevende van het bedrijf op te laten treden degene die als zodanig in de vergunning staat vermeld.

  3. De exploitant en de leidinggevende dienen ervoor zorg te dragen dat de vergunning in het bedrijf aanwezig is en op eerste vordering van een ambtenaar belast met het toezicht op deze regelgeving of op eerste vordering van een opsporingsambtenaar ter inzage af te geven.

Artikel 2:42

Exploitatietijden

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, de veiligheid of ter voorkoming of beperking van overlast dan wel de bescherming van het woon- of leefklimaat de openingstijden van een speelgelegenheid beperken.

  2. Het is de bezoeker van een speelgelegenheid verboden, zich daarin te bevinden gedurende de tijden dat het bedrijf ingevolge het eerste lid gesloten dient te zijn.

Artikel 2:43

Intrekking vergunning

De burgemeester kan de vergunning voor een speelgelegenheid intrekken, indien:

  1. de exploitant in strijd handelt met hetgeen hij in het bedrijfsplan heeft vermeld;

  2. het aanvullend bedrijfsplan als bedoeld in artikel 2:38, tweede lid, onvoldoende garanties geeft dat de Wet op kansspelen niet zal worden overtreden;

  3. het bepaalde in de Wet op de kansspelen wordt overtreden;

  4. in het bedrijf strafbare feiten plaatsvinden die een bedreiging vormen voor de veiligheid of orde in het bedrijf;

  5. de openbare orde en veiligheid of het woon- en leefklimaat door de aanwezigheid van het bedrijf wordt verstoord of benadeeld;

  6. de exploitant of leidinggevende niet langer voldoet aan de in artikel 2:39, onder a en b, gestelde eisen;

  7. de exploitant de in artikel 2:41 neergelegde verplichting niet of onvoldoende nakomt;

  8. de exploitant of leidinggevende het toezicht op de naleving van het in deze paragraaf bepaalde belemmert of bemoeilijkt, of laat belemmeren of laat bemoeilijken.

Artikel 2:44

Sluiting speelgelegenheid

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:43 van deze verordening kan de burgemeester, indien het belang van de openbare orde en veiligheid dit naar zijn oordeel vereist, de sluiting bevelen van een speelgelegenheid.

  2. Indien de in het eerste lid genoemde belangen de sluiting naar zijn oordeel niet langer vereisen, heft de burgemeester de sluiting op.

Artikel 2:45

Beëindiging exploitatie speelgelegenheid

De exploitant is verplicht, indien hij de exploitatie van de speelgelegenheid beëindigt, hiervan onmiddellijk mededeling te doen aan de burgemeester.

Artikel 2:46

Bevoegd orgaan

Indien de speelgelegenheid niet in een voor publiek toegankelijk gebouw is gevestigd, worden de in deze afdeling aan de burgemeester toegekende bevoegdheden uitgeoefend door burgemeester en wethouders.

Artikel 2:47

Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. de wet: de Wet op de kansspelen;

  2. kansspelautomaat: een speelautomaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de wet;

  3. hoogdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de wet;

  4. laagdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de wet;

  5. speelautomatenhal: een inrichting, bestemd om het publiek de gelegenheid te geven een spel door middel van speelautomaten te beoefenen, als bedoeld in artikel 30c, eerste lid, onder b, van de wet;

  6. exploitant: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de speelautomatenhal exploiteert;

  7. leidinggevende: degene die is belast met de onmiddellijke of algemene leiding van de speelautomatenhal.

Artikel 2:48

Aantal speelautomaten in openbare inrichtingen

Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester kansspelautomaten in een openbare inrichting aanwezig te hebben.

  1. in hoogdrempelige inrichtingen zijn ten hoogste twee kansspelautomaten toegestaan.

  2. in laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

Artikel 2:49

Aantal speelautomatenhallen

  1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelautomatenhal te exploiteren.

  2. Vergunning kan worden verleend voor ten hoogste 1 (één) speelautomatenhal.

  3. De vergunning wordt verleend voor een periode van maximaal 12 jaar.

  4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Artikel 2:49a

Beschikbaarheid vergunning

  1. De burgemeester maakt de beschikbaarheid van een vergunning als bedoeld in artikel 2:49 openbaar bekend.

  2. Aanvragen die binnen veertien dagen na de bekendmaking als bedoeld in het eerste lid zijn ontvangen, worden geacht gelijktijdig te zijn ingediend.

Artikel 2:49b

Beleidsregels

De burgemeester stelt beleidsregels vast ten aanzien van de criteria waaraan aanvragen als bedoeld in artikel 2:49 worden getoetst, welke ten minste betrekking hebben op:

  1. openbare orde en veiligheid;

  2. preventie van gokverslaving;

  3. het woon-en leefklimaat ter plaatse

Artikel 2:50

Aanvraag vergunning

De exploitant vraagt de vergunning voor een speelautomatenhal aan onder overlegging van:

  1. een tekening op schaal van de inrichting waaruit in elk geval blijkt op welke plaats en in welk aantal kansspel- of behendigheidsautomaten worden opgesteld;

  2. een overeenkomst of ander schriftelijk stuk waaruit blijkt dat hij gerechtigd is over de ruimte te beschikken;

  3. een verklaring omtrent het gedrag van de exploitant dan wel, indien de ondernemer een rechtspersoon is, van degene(n) die de onderneming krachtens de statuten vertegenwoordigt(en) en van de leidinggevenden;

  4. een bewijsstuk als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het Speelautomatenbesluit 2000, waaruit blijkt dat de leidinggevende(n) beschikken over voldoende kennis en inzicht met betrekking tot het gebruik van speelautomaten en de daaraan verbonden risico’s van gokverslaving;

  5. een bedrijfsplan waaruit in ieder geval maatregelen blijken ter voorkoming van aantasting van de openbare orde, het woon- en leefklimaat alsmede ter voorkoming van gokverslaving.

Artikel 2:50a

Vergunningverlening

Ingeval van gelijktijdige aanvragen als bedoeld in artikel 2:49a, tweede lid, vindt vergunning verlening plaats aan degene die naar het oordeel van de burgemeester het meest voldoet aan het gestelde in de beleidsregels als bedoeld in artikel 2:49b.

Artikel 2:51

Aanwezigheidsplicht

Het is verboden een speelautomatenhal voor het publiek geopend te houden, indien in het bedrijf geen leidinggevende aanwezig is die in de vergunning staat vermeld.

Artikel 2:52

Gegevens en voorschriften vergunning

  1. De vergunning als bedoeld in artikel 2:49, eerste lid, wordt gesteld ten name van de exploitant.

  2. In de vergunning wordt de naam vermeld van de leidinggevende(n).

  3. Aan de vergunning worden voorschriften en beperkingen verbonden. Deze hebben in elk geval betrekking op:

    1. de openingstijden van de speelautomatenhal;

    2. het toezicht in de speelautomatenhal;

    3. het aantal en type speelautomaten dat mag worden opgesteld;

    4. de exploitatie van de hal.

Artikel 2:53

Weigeringsgronden

  1. De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in artikel 2:49, eerste lid:

    1. indien op het moment van de aanvraag het maximumaantal te verlenen vergunningen voor speelautomatenhallen als bedoeld in artikel 2:49 is bereikt;

    2. de exploitatie van de speelautomatenhal in strijd is met het omgevingsplan

    3. indien de leidinggevende(n) in enig opzicht van slechtlevensgedrag is (zijn);

    4. indien de leidinggevende(n) de leeftijd van 21 jaar niet heeft (hebben) bereikt;

    5. indien de speelautomatenhal niet uitsluitend rechtstreeks vanaf de openbare weg voor het publiek toegankelijk is.

  2. De burgemeester kan de vergunning weigeren:

    1. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat in de directe omgeving van de speelautomatenhal, dan wel de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de aanwezigheid van de speelautomatenhal;

    2. indien de aanvrager de bij of krachtens titel VA van de wet gestelde bepalingen heeft overtreden in de drie jaren voorafgaand aan het moment van aanvraag van de vergunning.

Artikel 2:54

Intrekkingsgronden

  1. De burgemeester trekt de vergunning als bedoeld in artikel 2:49, eerste lid, in:

    1. indien de gegevens die met het oog op het verkrijgen van de vergunning zijn verstrekt, zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;

    2. indien niet langer wordt voldaan aan de krachtens artikel 30d, vierde lid, onder a, van de wet gestelde eisen.

  2. De burgemeester kan de vergunning intrekken:

    1. indien de omstandigheden of inzichten op grond waarvan de vergunning is verleend, zodanig zijn gewijzigd dat een situatie is ontstaan als bedoeld in artikel 2:53, tweede lid, onder a;

    2. indien wordt gehandeld in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen;

    3. indien niet wordt voldaan aan het bepaalde in de artikelen 2:51 of 2:55;

    4. indien de vergunninghouder de bij of krachtens titel VA van de wet gestelde bepalingen heeft overtreden;

    5. indien gedurende een periode van ten minste zes maanden geen gebruik van de vergunning is gemaakt.

Artikel 2:55

Wijziging leidinggevende

Indien een in de vergunning vermelde leidinggevende niet meer als zodanig werkzaam is, dient de ondernemer deze wijziging te melden binnen twee weken nadat deze situatie is ontstaan.

Artikel 2:56

Wijziging ondernemer

Indien de exploitatie van een speelautomatenhal wordt beëindigd of een speelautomatenhal aan een rechtsopvolger wordt overgedragen, doet de ondernemer hiervan onmiddellijk schriftelijk mededeling aan de burgemeester.

Artikel 2:68

Betreden gesloten woning of lokaal

  1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

  2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

  3. Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.

Artikel 2:69

Sluiting gebouw

  1. De burgemeester kan ter bescherming van de openbare orde, de sluiting bevelen van een voor publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte als daar:

    1. is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen;

    2. door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen;

    3. wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend of

    4. zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van het gebouw, de inrichting of de ruimte ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde.

  2. De burgemeester trekt het sluitingsbevel in als naar zijn oordeel de in het eerste lid genoemde belangen voortzetting van de sluiting niet langer vereisen.

  3. De burgemeester draagt zorg voor het aanbrengen van het bevel tot sluiting bij de toegang van het gebouw, de inrichting of de ruimte, of in de directe nabijheid daarvan.

  4. De rechthebbende laat toe dat een afschrift van het sluitingsbevel wordt aangebracht.

  5. Het is verboden een gebouw, inrichting of ruimte te betreden waarvan de sluiting is bevolen.

  6. Het is de rechthebbende verboden zonder toestemming van de burgemeester bezoekers toe te laten of zelf het gebouw, de inrichting of de ruimte te betreden.

  7. Het derde, vierde, vijfde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing als de burgemeester krachtens artikel 174a van de Gemeentewet of artikel 13b van de Opiumwet heeft besloten tot sluiting van een woning, een lokaal of een bijbehorend erf.

Artikel 2:70

Plakken en kladden

  1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak, dat vanaf die plaats zichtbaar is, te bekrassen of te bekladden.

  2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:

    1. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken te doen aanplakken of op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

    2. met kalk, teer of een kleur of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

  3. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

  4. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  5. Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

  6. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.

  7. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

  8. Het is verboden, zonder daartoe bevoegd te zijn, een aanplakbiljet of ander geschrift, dat rechtmatig op de openbare weg of op een vanaf de openbare weg zichtbare plaats is aangebracht, af te scheuren, onleesbaar te maken of te beschadigen.

Artikel 2:71

Bezit van inbrekers werktuigen en hulpmiddelen voor winkeldiefstal

  1. Het is verboden op een openbare plaats te vervoeren of bij zich te hebben: lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of een erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

  2. Het is verboden op een openbare plaats in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken.

  3. Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen.

Artikel 2:72

Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

  1. Het is verboden op een openbare plaats:

    1. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

    2. zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of bewoners van nabij die openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder veroorzaakt.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:73

Verboden drankgebruik

  1. Het is verboden voor personen die de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

  2. Het verbod is niet van toepassing op:

    1. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;

    2. de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a., waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.

Artikel 2:73a

Voorkomen glas op straat

  1. Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, drinkglazen of aangebroken glazen flessen of flesjes, met alcoholhoudende of alcoholvrije drank bij zich te hebben.

  2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:

    1. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet;

    2. de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet.

Artikel 2:73b

Lachgasverbod

  1. Het is verboden op een openbare plaats distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken.

  2. Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college ter bescherming van de openbare orde of het woon- en leefklimaat aangewezen gebied distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben.

  3. Het college kan in het aanwijzingsbesluit het in het tweede lid bedoelde verbod beperken tot bepaalde tijden.

Artikel 2:74

Verboden gedrag bij of in gebouwen

  1. Het is verboden:

    1. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden;

    2. zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.

  2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw.

Artikel 2:74a

Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet

  1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

  2. De burgemeester kan bij schending van deze zorgplicht aan overtreder een last onder bestuursdwang of onder dwangsom opleggen. Daarbij kunnen aanwijzingen worden gegeven over wat de overtreder moet doen en/of moet nalaten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester stelt beleidsregels vast over het gebruik van zijn bevoegdheid.

  3. De last kan in ieder geval worden opgelegd bij:

    1. ernstige en herhaalde geluid- of geurhinder;

    2. ernstige en herhaalde hinder van dieren;

    3. ernstige en herhaalde hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in de woning of op het erf aanwezig zijn;

    4. ernstige en aanhoudende overlast door vervuiling of verwaarlozing van de woning of het erf;

    5. intimidatie van derden vanuit de woning of vanaf het erf.

Artikel 2:75

Verboden gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten

Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval begrepen: portalen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.

Artikel 2:76

Neerzetten van fietsen en bromfietsen

Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een gebouw of in de ingang van een portiek als:

dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als

daardoor die ingang wordt versperd.

Artikel 2:77

Bespieden van personen

  1. Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw, woonwagen of woonschip bevindt, te bespieden.

  2. Het is verboden door middel van een verrekijker of ander optisch instrument een persoon die zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindt, te bespieden.

Artikel 2:78

Loslopende honden

  1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

    1. binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zonder dat die hond aangelijnd is;

    2. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

    3. op een openbare plaats zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen;

    4. buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd.

  2. Het verbod in het eerste lid, onder a, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  3. De verboden in het eerste lid aanhef onder a. en b. zijn niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond:

    1. die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of

    2. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulp hond.

Artikel 2:79

Verontreiniging door honden en paarden

  1. De eigenaar of houder van een hond of een paard is verplicht ervoor te zorgen dat die hond of dat paard zich niet van uitwerpselen ontdoet:

    1. binnen de bebouwde kom: op een openbare plaats;

    2. buiten de bebouwde kom op een openbare plaats die bestemd is of mede bestemd is voor het verkeer van voetgangers en fietsers.

  2. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het gebod genoemd in het eerste lid, onder a. en b. niet geldt.

  3. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van de hond of het paard er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.

  4. De eigenaar of houder van een aangespannen paard is verplicht om binnen de bebouwde kom zijn span te hebben voorzien van een zak voor het opvangen en verzameld houden van de uitwerpselen van dit paard.

  5. De eigenaar of houder van een hond is verplicht om binnen de bebouwde kom materiaal bij zich te hebben, benodigd voor het opruimen van de uitwerpselen van zijn of haar hond.

  6. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.

Artikel 2:80

Gevaarlijke honden

  1. Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

  2. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1.50 meter.

  3. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

    1. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

    2. door middel van een stevig leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en

    3. zodanig is aangebracht en ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de kort aanwezig zijn.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:78, eerste lid, onder c, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

Artikel 2:81

Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren

  1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren

  2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  3. Onverminderd het bepaalde in de voorgaande leden moet degene die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer de zorg heeft voor een dier voorkomen dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidshinder of anderszins hinder veroorzaakt.

Artikel 2:82

Loslopend vee

De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een openbare plaats liggend weiland of terrein, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die openbare plaats niet kan bereiken.

Artikel 2:83

Bijen

  1. Het is verboden bijen te houden:

    1. binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven;

    2. binnen een afstand van 30 meter van de weg.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.

  3. Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet voor zover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid.

  4. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.

  5. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

  6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 2:84

Bedelarij

Het is verboden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken in door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast aangewezen gebieden.

Artikel 2:85

Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder:

handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de Algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:86

Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

  1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld:

    1. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

    2. de datum van verkoop of overdracht van het goed;

    3. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen – voor zover dat mogelijk is – soort, merk en nummer van het goed;

    4. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed;

    5. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

  2. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.

  3. De burgemeester kan nadere regels stellen over het te hanteren register als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2:87

Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

  1. de burgemeester binnen een week schriftelijk in kennis te stellen:

    1. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging(-en);

    2. van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde adressen;

    3. als hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;

    4. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;

  2. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;

  3. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;

  4. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf werkdagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed is verkregen.

Artikel 2:88

Definitie

In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.

Artikel 2:89

Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen

  1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college.

  2. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 2:90

Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

  1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.

  2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.

  3. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voor zover artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Artikel 2:91

Drugshandel op straat

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Artikel 2:92

Openlijk gebruik van drugs

Het is verboden op of aan de weg, op een andere voor publiek toegankelijke plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

Artikel 2:93

Verwijderen van spuiten e.d.

Het is verboden om injectiespuiten of onderdelen daarvan zoals naalden, reservoirs, zuigers en dergelijke of daarop gelijkende voorwerpen op of aan de openbare weg, dan wel in afvalbakken achter te laten, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zulks is geschied om afstand van dat voorwerp te doen.

Artikel 2:94

Bestuurlijke ophouding

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in de artikelen 2:1, 2:2, 2:3, 2:72, 2:72a, 2:73, 2:74 en 2.75 van deze verordening groepsgewijs niet naleven.

Artikel 2:95

Veiligheidsrisicogebieden

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel 2:96

Cameratoezicht op openbare plaatsen

De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

Artikel 2:97

Gebiedsontzeggingen

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verrichten een bevel geven zich gedurende ten hoogste 48 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.

  2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.

  3. Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste lid, plaatsvindt.

  4. De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening Hulst 2017