1. De burgemeester trekt de vergunning als bedoeld in artikel 2:49, eerste lid, in:

    1. indien de gegevens die met het oog op het verkrijgen van de vergunning zijn verstrekt, zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;

    2. indien niet langer wordt voldaan aan de krachtens artikel 30d, vierde lid, onder a, van de wet gestelde eisen.

  2. De burgemeester kan de vergunning intrekken:

    1. indien de omstandigheden of inzichten op grond waarvan de vergunning is verleend, zodanig zijn gewijzigd dat een situatie is ontstaan als bedoeld in artikel 2:53, tweede lid, onder a;

    2. indien wordt gehandeld in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen;

    3. indien niet wordt voldaan aan het bepaalde in de artikelen 2:51 of 2:55;

    4. indien de vergunninghouder de bij of krachtens titel VA van de wet gestelde bepalingen heeft overtreden;

    5. indien gedurende een periode van ten minste zes maanden geen gebruik van de vergunning is gemaakt.