De exploitant vraagt de vergunning voor een speelautomatenhal aan onder overlegging van:

  1. een tekening op schaal van de inrichting waaruit in elk geval blijkt op welke plaats en in welk aantal kansspel- of behendigheidsautomaten worden opgesteld;

  2. een overeenkomst of ander schriftelijk stuk waaruit blijkt dat hij gerechtigd is over de ruimte te beschikken;

  3. een verklaring omtrent het gedrag van de exploitant dan wel, indien de ondernemer een rechtspersoon is, van degene(n) die de onderneming krachtens de statuten vertegenwoordigt(en) en van de leidinggevenden;

  4. een bewijsstuk als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het Speelautomatenbesluit 2000, waaruit blijkt dat de leidinggevende(n) beschikken over voldoende kennis en inzicht met betrekking tot het gebruik van speelautomaten en de daaraan verbonden risico’s van gokverslaving;

  5. een bedrijfsplan waaruit in ieder geval maatregelen blijken ter voorkoming van aantasting van de openbare orde, het woon- en leefklimaat alsmede ter voorkoming van gokverslaving.