De burgemeester kan de vergunning voor een speelgelegenheid intrekken, indien:

  1. de exploitant in strijd handelt met hetgeen hij in het bedrijfsplan heeft vermeld;

  2. het aanvullend bedrijfsplan als bedoeld in artikel 2:38, tweede lid, onvoldoende garanties geeft dat de Wet op kansspelen niet zal worden overtreden;

  3. het bepaalde in de Wet op de kansspelen wordt overtreden;

  4. in het bedrijf strafbare feiten plaatsvinden die een bedreiging vormen voor de veiligheid of orde in het bedrijf;

  5. de openbare orde en veiligheid of het woon- en leefklimaat door de aanwezigheid van het bedrijf wordt verstoord of benadeeld;

  6. de exploitant of leidinggevende niet langer voldoet aan de in artikel 2:39, onder a en b, gestelde eisen;

  7. de exploitant de in artikel 2:41 neergelegde verplichting niet of onvoldoende nakomt;

  8. de exploitant of leidinggevende het toezicht op de naleving van het in deze paragraaf bepaalde belemmert of bemoeilijkt, of laat belemmeren of laat bemoeilijken.