De burgemeester kan de vergunning voor een speelgelegenheid intrekken, indien:
de exploitant in strijd handelt met hetgeen hij in het bedrijfsplan heeft vermeld;
het aanvullend bedrijfsplan als bedoeld in artikel 2:38, tweede lid, onvoldoende garanties geeft dat de Wet op kansspelen niet zal worden overtreden;
het bepaalde in de Wet op de kansspelen wordt overtreden;
in het bedrijf strafbare feiten plaatsvinden die een bedreiging vormen voor de veiligheid of orde in het bedrijf;
de openbare orde en veiligheid of het woon- en leefklimaat door de aanwezigheid van het bedrijf wordt verstoord of benadeeld;
de exploitant of leidinggevende niet langer voldoet aan de in artikel 2:39, onder a en b, gestelde eisen;
de exploitant de in artikel 2:41 neergelegde verplichting niet of onvoldoende nakomt;
de exploitant of leidinggevende het toezicht op de naleving van het in deze paragraaf bepaalde belemmert of bemoeilijkt, of laat belemmeren of laat bemoeilijken.