1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester een vergunning als:

    1. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan.

    2. de exploitant of de leidinggevende niet voldoet aan de in artikel 2:39 gestelde eisen;

    3. het woon- en leefklimaat in de omgeving van de speelgelegenheid en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig zal worden beïnvloed door de aanwezigheid van de speelgelegenheid.

  2. De burgemeester kan een vergunning weigeren indien:

    1. een eerdere vergunning voor de exploitatie van de speelgelegenheid is ingetrokken of de speelgelegenheid met toepassing van artikel 2:44 van deze verordening dan wel met toepassing van art. 13b van de Opiumwet is gesloten;

    2. naar zijn oordeel het bedrijfsplan als bedoeld in artikel 2:38 onvoldoende garanties geeft dat het in de Wet op de kansspelen bepaalde niet zal worden overtreden;

    3. het op grond van andere feiten en omstandigheden onvoldoende vaststaat dat het bepaalde in de Wet op de kansspelen niet zal worden overtreden.