Omgevingswet Actueel

Inhoud

§ 4.1.3

Bevoegd gezag

Artikel 4.8

  1. Voor het omgevingsplan is het college van burgemeester en wethouders, voor de waterschapsverordening is het dagelijks bestuur van het waterschap en voor de omgevingsverordening zijn gedeputeerde staten:

    1. het bevoegd gezag waaraan een melding wordt gedaan,

    2. het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen,

    3. het bevoegd gezag dat beslist op een aanvraag om toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel.

  2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de bij ministeriële regeling gestelde meet- en rekenvoorschriften, bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, voor zover die betrekking hebben op activiteiten waarover regels zijn gesteld in respectievelijk het omgevingsplan, de waterschapsverordening en de omgevingsverordening.

Artikel 4.9

Tenzij op grond van de artikelen 4.10 tot en met 4.13 anders is bepaald, wordt op grond van artikel 4.3 het college van burgemeester en wethouders aangewezen als:

  1. het bevoegd gezag waaraan een melding wordt gedaan,

  2. het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen,

  3. het bevoegd gezag dat beslist op een aanvraag om toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel.

Artikel 4.10

Op grond van artikel 4.3 worden met het oog op een doelmatig waterbeheer voor wateractiviteiten gevallen aangewezen waarin het dagelijks bestuur van het waterschap, gedeputeerde staten of Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat het bevoegd gezag is.

Artikel 4.11

  1. Op grond van artikel 4.3 worden voor de volgende activiteiten gevallen aangewezen waarin gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn:

    1. het gelegenheid bieden tot zwemmen en baden,

    2. milieubelastende activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor het grondwater,

    3. beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot lokale spoorwegen,

    4. Natura 2000-activiteiten en activiteiten met mogelijke verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied,

    5. flora- en fauna-activiteiten,

    6. activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of om schade door dieren te bestrijden, met uitzondering van de jacht,

    7. het gebruik en het onder zich hebben van middelen of installaties en het toepassen van methoden om dieren te vangen of te doden,

    8. activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten tot gevolg hebben of kunnen hebben,

    9. het vellen en beheren van houtopstanden,

    10. landinrichtingsactiviteiten.

  2. Bij het aanwijzen van gevallen worden de grenzen van artikel 2.3, tweede lid, in acht genomen.

  3. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, worden, als op grond van artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000 een gebied is aangewezen, op grond van artikel 4.3 gevallen aangewezen waarin het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, bedoeld in laatstbedoeld lid, het bevoegd gezag is voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot lokale spoorwegen in dat gebied.

Artikel 4.12

  1. Op grond van artikel 4.3 worden voor de volgende activiteiten gevallen aangewezen waarin een van Onze daarbij aangewezen Ministers het bevoegd gezag is:

    1. milieubelastende activiteiten:

      1. met betrekking tot een mijnbouwwerk,

      2. waarbij nationale veiligheidsbelangen of andere vitale nationale belangen zijn betrokken,

      3. als het gaat om het op of in de bodem brengen van meststoffen,

    2. ontgrondingsactiviteiten in de rijkswateren,

    3. mijnbouwlocatieactiviteiten,

    4. beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot:

      1. wegen in beheer bij het Rijk,

      2. andere luchthavens dan burgerluchthavens van regionale betekenis,

      3. hoofdspoorwegen en bijzondere spoorwegen,

      4. mijnbouwinstallaties in een waterstaatswerk,

    5. activiteiten die geheel of in hoofdzaak plaatsvinden in:

      1. de territoriale zee voor zover gelegen buiten een gemeente of provincie,

      2. de exclusieve economische zone,

    6. Natura 2000-activiteiten en activiteiten met mogelijke verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied,

    7. flora- en fauna-activiteiten,

    8. de uitoefening van de jacht en activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of om schade door dieren te bestrijden,

    9. het gebruik, het onder zich hebben, het verhandelen en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen of installaties en het toepassen van methoden om dieren te vangen of te doden,

    10. het verhandelen, het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van dieren, planten of producten daarvan,

    11. het vangen, doden en verwerken van walvissen,

    12. activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten tot gevolg hebben of kunnen hebben,

    13. het vellen en beheren van houtopstanden,

    14. het binnen het grondgebied van Nederland brengen en het verhandelen van hout en houtproducten.

  2. Bij het aanwijzen van gevallen worden de grenzen van artikel 2.3, derde lid, in acht genomen.

Artikel 4.13

  1. Op grond van artikel 4.3 kunnen gevallen worden aangewezen waarin het bestuursorgaan dat bevoegd is te beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning het bevoegd gezag is. Het gaat om gevallen waarin activiteiten worden verricht waarvoor een omgevingsvergunning is vereist in combinatie met activiteiten waarvoor regels gelden als bedoeld in artikel 4.3.

  2. In ieder geval worden aangewezen milieubelastende activiteiten:

    1. met betrekking tot een ippc-installatie,

    2. waarop de Seveso-richtlijn van toepassing is.

Artikel 4.13a

  1. Een bestuursorgaan dat bij of krachtens deze paragraaf als bevoegd gezag is aangewezen, kan die bevoegdheid aan een ander bestuursorgaan overdragen, als dat bestuursorgaan daarmee instemt.

  2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van het eerste lid.

← terug naar Omgevingswet