Omgevingswet Actueel

Inhoud

§ 12.1.2

Algemene bepalingen voor landinrichting

Artikel 12.3

  1. Landinrichting strekt tot verbetering van de inrichting van het landelijk gebied in overeenstemming met de functies die aan de betrokken locaties zijn toegedeeld.

  2. Bij landinrichting kunnen de volgende maatregelen en voorzieningen worden getroffen:

    1. het wijzigen van het stelsel van wegen of waterstaatswerken,

    2. aanleg, ontwikkeling, behoud, beheer of herstel van gebieden van belang uit een oogpunt van natuurbescherming of landschapsbehoud of van elementen van landschappelijke, recreatieve, aardkundige of natuurwetenschappelijke waarde, of cultureel erfgoed, en

    3. andere maatregelen of voorzieningen van openbaar nut.

  3. Bij landinrichting kan worden voorzien in de toedeling van eigendom, het beheer en het onderhoud van voorzieningen van openbaar nut.

  4. Herverkaveling kan deel uitmaken van landinrichting, waarbij korting als bedoeld in artikel 12.29 kan worden toegepast als het nodig is de eigendom van onroerende zaken te verwerven.

Artikel 12.4

  1. Bevoegdheden over landinrichting kunnen worden uitgeoefend door gedeputeerde staten van de provincie waarin het in te richten gebied geheel of grotendeels ligt.

  2. Artikel 3, eerste lid, onder q, van de Kadasterwet is van toepassing.

Artikel 12.5

Zonder toestemming van Onze Minister van Defensie wordt geen wijziging gebracht in de staat en werking van locaties die ook een functie voor de landsverdediging vervullen.

Artikel 12.6

Als herverkaveling deel uitmaakt van de landinrichting, wordt een zo nauwkeurig mogelijke raming gemaakt van de kosten daarvan en van het aandeel van die kosten dat ten laste zal worden gebracht van de gezamenlijke eigenaren in het te herverkavelen blok.

← terug naar Omgevingswet