Omgevingswet

Inhoud

Artikel 5.2

HISTORISCH
Deze versie geldt vanaf 01-01-2026.
  1. Bij de aanwijzing van gevallen op grond van artikel 5.1 worden de grenzen van artikel 2.3, derde lid, in acht genomen. Daarbij kunnen voor:

    1. een omgevingsplanactiviteit,

    2. een ontgrondingsactiviteit,

    3. een milieubelastende activiteit,

    4. een lozingsactiviteit op:

      1. een oppervlaktewaterlichaam,

      2. een zuiveringtechnisch werk,

    5. een wateronttrekkingsactiviteit,

    6. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een lokale spoorweg,

    7. een Natura 2000-activiteit,

    8. een flora- en fauna-activiteit,

    9. een jachtgeweeractiviteit,

    gevallen worden aangewezen waarin, binnen bij die aanwijzing aangegeven grenzen, in het omgevingsplan, de waterschapsverordening of de omgevingsverordening van de aanwijzing kan worden afgeweken.

  2. Voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een archeologisch monument kunnen ook bij het besluit tot aanwijzing van een archeologisch moment als rijksmonument, bedoeld in artikel 3.1 van de Erfgoedwet, gevallen worden aangewezen waarin het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder b, niet geldt. Deze gevallen hebben alleen betrekking op onderdelen van het archeologisch monument die uit het oogpunt van de archeologische monumentenzorg geen waarde hebben.

  3. Bij de aanwijzing van gevallen op grond van artikel 5.1, eerste en tweede lid, kunnen voor:

    1. een Natura 2000-activiteit,

    2. een flora- en fauna-activiteit,

    3. een jachtgeweeractiviteit,

    4. een valkeniersactiviteit,

    gevallen worden aangewezen waarin, binnen bij die aanwijzing aangegeven grenzen, bij ministeriële regeling, van de aanwijzing kan worden afgeweken.

  4. Bij de aanwijzing van gevallen op grond van artikel 5.1, eerste en tweede lid, kunnen voor:

    1. een Natura 2000-activiteit,

    2. een flora- en fauna-activiteit,

    gevallen worden aangewezen waarin, binnen bij die aanwijzing aangegeven grenzen, in een programma van de aanwijzing kan worden afgeweken.

  5. Op grond van artikel 5.1 worden in ieder geval gevallen aangewezen ter uitvoering van:

    1. de habitatrichtlijn,

    2. de kaderrichtlijn afvalstoffen,

    3. de kaderrichtlijn water,

    4. het Londen-protocol,

    5. de mer-richtlijn,

    6. het Ospar-verdrag,

    7. de richtlijn industriële emissies,

    8. de richtlijn offshore veiligheid,

    9. de richtlijn stedelijk afvalwater,

    10. de richtlijn winningsafval,

    11. de Seveso-richtlijn,

    12. het verdrag van Aarhus,

    13. het verdrag van Bern,

    14. het verdrag van Bonn,

    15. het verdrag van Valletta.

    16. de vogelrichtlijn.

01-07-2026 Huidig 04-06-2026 Historisch 18-02-2026 Historisch 01-01-2026 Historisch 01-07-2025 Historisch 01-01-2024 Historisch
Voor dit artikel is er geen zichtbare wijziging ten opzichte van 01-01-2024.

Tekst van deze versie

  1. Bij de aanwijzing van gevallen op grond van artikel 5.1 worden de grenzen van artikel 2.3, derde lid, in acht genomen. Daarbij kunnen voor:

    1. een omgevingsplanactiviteit,

    2. een ontgrondingsactiviteit,

    3. een milieubelastende activiteit,

    4. een lozingsactiviteit op:

      1. een oppervlaktewaterlichaam,

      2. een zuiveringtechnisch werk,

    5. een wateronttrekkingsactiviteit,

    6. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een lokale spoorweg,

    7. een Natura 2000-activiteit,

    8. een flora- en fauna-activiteit,

    9. een jachtgeweeractiviteit,

    gevallen worden aangewezen waarin, binnen bij die aanwijzing aangegeven grenzen, in het omgevingsplan, de waterschapsverordening of de omgevingsverordening van de aanwijzing kan worden afgeweken.

  2. Voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een archeologisch monument kunnen ook bij het besluit tot aanwijzing van een archeologisch moment als rijksmonument, bedoeld in artikel 3.1 van de Erfgoedwet, gevallen worden aangewezen waarin het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder b, niet geldt. Deze gevallen hebben alleen betrekking op onderdelen van het archeologisch monument die uit het oogpunt van de archeologische monumentenzorg geen waarde hebben.

  3. Bij de aanwijzing van gevallen op grond van artikel 5.1, eerste en tweede lid, kunnen voor:

    1. een Natura 2000-activiteit,

    2. een flora- en fauna-activiteit,

    3. een jachtgeweeractiviteit,

    4. een valkeniersactiviteit,

    gevallen worden aangewezen waarin, binnen bij die aanwijzing aangegeven grenzen, bij ministeriële regeling, van de aanwijzing kan worden afgeweken.

  4. Bij de aanwijzing van gevallen op grond van artikel 5.1, eerste en tweede lid, kunnen voor:

    1. een Natura 2000-activiteit,

    2. een flora- en fauna-activiteit,

    gevallen worden aangewezen waarin, binnen bij die aanwijzing aangegeven grenzen, in een programma van de aanwijzing kan worden afgeweken.

  5. Op grond van artikel 5.1 worden in ieder geval gevallen aangewezen ter uitvoering van:

    1. de habitatrichtlijn,

    2. de kaderrichtlijn afvalstoffen,

    3. de kaderrichtlijn water,

    4. het Londen-protocol,

    5. de mer-richtlijn,

    6. het Ospar-verdrag,

    7. de richtlijn industriële emissies,

    8. de richtlijn offshore veiligheid,

    9. de richtlijn stedelijk afvalwater,

    10. de richtlijn winningsafval,

    11. de Seveso-richtlijn,

    12. het verdrag van Aarhus,

    13. het verdrag van Bern,

    14. het verdrag van Bonn,

    15. het verdrag van Valletta.

    16. de vogelrichtlijn.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Omgevingswet