1. De overeenkomst met de aandeelhouders bevat ten minste:

    1. de verplichting het houden van aandelen te beperken of te beëindigen, als:

      1. de aandeelhouder een vennootschap is en die vennootschap overgaat op een andere persoon waardoor niet meer voldaan wordt aan artikel 6.7 of artikel 6.8;

      2. de aandeelhouder of de in haar deelnemende personen diensten aanbiedt of werkzaamheden verricht voor het gerechtsdeurwaarderskantoor waarin deelgenomen wordt en de diensten of werkzaamheden schadelijk zijn voor het gerechtsdeurwaarderskantoor;

      3. de aandeelhouder, of de in haar deelnemende personen, niet langer in aanmerking komt voor een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens; en

      4. de aandeelhouder nalaat zich te onderwerpen aan toezicht bedoeld in artikelen 30 en 31 van de wet;

    2. een in het economisch verkeer als niet onredelijk te beoordelen en objectieve maatstaf voor de bepaling van de waarde van deelnemingen;

    3. de bepaling dat de overnamesommen op redelijk, onderbouwd verzoek van de koper in termijnen mogen worden voldaan; en

    4. de verplichting om zich te onthouden van het tot stand brengen of uitvoeren van iedere volmacht, stemrechtovereenkomst of andere rechtshandeling waardoor afbreuk kan worden gedaan aan de onafhankelijkheid van de gerechtsdeurwaarder.

  2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op personenvennootschappen, met dien verstande dat onder aandeelhouder telkens wordt verstaan: vennoot.