1. Het bestuur verstrekt de kandidaat-gerechtsdeurwaarder op aanvraag een stageverklaring als deze voldoende blijk heeft gegeven van de kennis, de kunde en de ervaring in het verrichten van werkzaamheden in de praktijk om het ambt zelfstandig uit te oefenen.

  2. De aanvraag bevat een verklaring van de gerechtsdeurwaarder aan wie de kandidaat-gerechtsdeurwaarder voor de beroepsstage is toegevoegd, over de door de kandidaat-gerechtsdeurwaarder verrichte werkzaamheden.

  3. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, van de Dienstenwet, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag van de stageverklaring.

  4. Het bestuur kan een model van de verklaring, bedoeld in het tweede lid, vaststellen.