1. De gerechtsdeurwaarder, toegevoegd gerechtsdeurwaarder en kandidaat-gerechtsdeurwaarder volgen onderwijs of verrichten andere activiteiten met het oog op het onderhouden van de voor een goede beroepsuitoefening vereiste kennis en vaardigheden.

  2. Deze paragraaf is niet van toepassing op de kandidaat-gerechtsdeurwaarder, die is toegevoegd op grond van de stage in het kader van de opleiding bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet.