1. Een gerechtsdeurwaarder laat niet toe dat personen die niet de hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder hebben gezamenlijk een groter belang dan een minderheidsbelang hebben in de onderneming.

  2. De personen, bedoeld in het eerste lid:

    1. beschikken over een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens die bij aanvang van hun deelneming niet ouder is dan drie maanden;

    2. zijn niet betrokken bij opdrachten aan het kantoor;

    3. verrichten geen werkzaamheden en bieden geen diensten aan op een wijze die een gerechtsdeurwaarder niet zou zijn toegestaan of die schade kan toebrengen aan de eer en het aanzien van het ambt; en

    4. hebben zich verbonden jegens de gerechtsdeurwaarder aan het verlenen van medewerking aan het toezicht bedoeld in artikelen 30 en 31 van de wet, met het oog op de financiële positie van de gerechtsdeurwaarder en de onderneming waarmee de gerechtsdeurwaarder zijn activiteiten verricht.