1. Een gerechtsdeurwaarder laat het kantoor ten minste eens in de drie jaar beoordelen op de overeenstemming met de artikelen 3.3, 3.5, tweede lid, 4.2 tot en met 4.6, 4.8, 4.9, 5.2, 5.12, 5.13, eerste lid, 5.14 tot en met 5.15 en de krachtens artikel 8.1, met deze artikelen samenhangende bepalingen:

    1. door een, op grond van artikel 57a, eerste lid van de wet, door het bestuur aangewezen auditor; en

    2. op een door het bestuur voorgeschreven wijze.

  2. De auditor maakt van de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, een verslag en zendt dat aan het bestuur.

  3. Binnen vier weken na ontvangst van het verslag van de auditor stelt het bestuur een positief toetsingsverslag vast als daaruit de overeenstemming blijkt met de artikelen, genoemd in het eerste lid. Het bestuur stelt daarbij de geldigheid van het positieve toetsingsverslag vast, die niet langer is dan drie jaar. Het bestuur kan bepalen dat een volgende beoordeling plaatsvindt binnen een termijn die korter is dan die genoemd in het eerste lid.

  4. Binnen drie jaar na oprichting beschikt het kantoor waaraan een gerechtsdeurwaarder is verbonden, over een vastgesteld positief toetsingsverslag waarvan de geldigheid niet is verstreken.

  5. Het bestuur kan een auditor verzoeken een beoordeling als bedoeld in het eerste lid uit te voeren voor een kantoor of gerechtsdeurwaarder.

  6. Het bestuur kan bij het verzoek, bedoeld in het vijfde lid, aan de auditor bepalen dat afgeweken wordt van de voorgeschreven wijze, bedoeld in het eerste lid, onder b, voor zover deze wijze afhankelijk is van de vrijwillige medewerking van de gerechtsdeurwaarder.