1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 wordt een vergunning voor de exploitatie van de smart- of headshop ingetrokken, indien niet langer voldaan wordt aan de in artikel 2:28g van deze verordening gestelde gedragseisen of het bepaalde in artikel 2:28i van deze verordening niet in acht wordt genomen.

2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning ook intrekken, indien:

a. aannemelijk is dat de leidinggevende betrokken is bij of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten als bedoeld in artikel 13b Opiumwet.

b. zich een incident gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en/of drugshandel heeft voorgedaan in of bij de als smart- of headshop geëxploiteerde inrichting;

c. dit anderszins noodzakelijk is in het belang van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen.

3. Als de vergunning voor de exploitatie van de smart- of headshop ingetrokken is in het belang van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, kan de burgemeester bepalen, dat een nieuwe vergunning voor de exploitatie van dezelfde smart- of headshop gedurende een bij de intrekking vastgestelde termijn van ten hoogste vijf jaar kan worden geweigerd.