1. In dit artikel wordt verstaan onder:
a. Exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;
b. Beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten;
c. Bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit, de activiteit in de uitoefening van een beroep of bedrijf, die plaatsvindt in een voor publiek toegankelijk gebouw, of een daarbij behorend perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.
2. De burgemeester kan gebieden, gebouwen, bij die gebouwen behorende erven en bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebied wordt uitsluitend aangewezen als in dat gebied de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat of dreigt te komen staan. Een gebouw en/of een bij dat gebouw behorend erf wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat of dreigt te komen staan. Een aanwijzing van een gebied, gebouw of een bij dat gebouw behorend erf kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat of dreigt te komen staan.
3. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen:
a. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebied, gebouw en/of een bij dat gebouw behorend erf voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteiten, of
b. indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.
4. De burgemeester stelt een formulier vast voor het indienen van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in het derde lid.
5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester kan een vergunning als bedoeld in het derde lid in afwijking van artikel 1:8 weigeren:
a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;
b. indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
c. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn;
d. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
e. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan;
f. indien een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de aanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken.
6. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien:
a. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast, of;
b. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed, of;
c. de voorwaarden uit de vergunning niet worden nageleefd, of;
d. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is, of;
e. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed, of;
f. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden, of;
g. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde, of;
h. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd, of;
i. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is.
7. De burgemeester kan onverminderd het bepaalde in artikel 2:80 een besluit nemen tot de sluiting van het gebouw of erf waar een bedrijf wordt uitgeoefend indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid of in strijd met de vergunning van deze bepaling wordt uitgeoefend of als één van de situaties bedoeld in het zesde lid onder a tot en met i, van toepassing is. De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit tot sluiting aan op of nabij de toegang van het gebouw of erf waarop zijn besluit ziet.
8. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het zevende lid van deze bepaling gesloten gebouw of erf waar een bedrijf wordt uitgeoefend te betreden of daarin/daarop te verblijven.
9. De sluiting als bedoeld in het zevende lid kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
10. Indien er een verandering van omstandigheden optreedt, waardoor er een wijziging van de vergunning dient te komen, dient de exploitant onverwijld een ontvankelijke aanvraag om een vergunning als bedoeld in het derde lid bij de burgemeester in te dienen. Indien deze aanvraag niet binnen een maand nadat de veranderde omstandigheden zich hebben voorgedaan, is ingediend, kan de burgemeester de eerder verleende vergunning intrekken. Een vergunning als bedoeld in het derde lid vervalt, indien een vergunning, strekkende ter vervanging van eerstbedoelde vergunning is verleend en door bekendmaking in werking is getreden.
11. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in het bedrijf aanwezig is.
12. In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.
13. Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.