1. Het is verboden een uitweg te maken of te laten maken naar de weg of verandering te brengen of te laten brengen in een bestaande uitweg naar de weg als:
a. daarvan niet van tevoren via een door het college vastgesteld formulier melding is gedaan aan het college, onder indiening van de op het formulier gevraagde bijlagen;
b. het college het (laten) maken of het (laten) veranderen van de uitweg heeft verboden.
2. Het college verbiedt het (laten) maken of het (laten) veranderen van de uitweg als:
a. daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht;
b. dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;
c. het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of
d. er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.
3. De uitweg kan worden aangelegd als het college niet binnen acht weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden.
4. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.
5. Van de melding zoals bedoeld in het eerste lid, het verbod zoals bedoeld in het tweede lid, de van rechtswege gegeven instemming zoals bedoeld in het derde lid en van een eventuele instemming, al dan niet onder voorschriften, met de melding door het college binnen 8 weken na ontvangst ervan wordt kennis gegeven in het elektronisch gemeenteblad.