1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.

3. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een bord of een andere voorziening ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting te verwijderen, te wijzigen, te beschadigen, de werking ervan te beletten of te belemmeren.

4. Het verbod in het derde lid is niet van toepassing op situaties waarop het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.