1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de vergunning voor de exploitatie van de openbare inrichting waarin geen alcoholhoudende drank wordt verstrekt worden ingetrokken, indien niet langer voldaan wordt aan één of meer van de in de artikelen 2:28a en 2:28b van deze verordening gestelde eisen.

2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning voor de exploitatie van de openbare inrichting ook intrekken, indien:

a. aannemelijk is dat de leidinggevende betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten als bedoeld in artikel 13b Opiumwet of bij activiteiten als bedoeld in artikel 2:30, tweede lid, van deze verordening

b. dit anderszins noodzakelijk is in het belang van de openbare orde, de aantasting van het woon-en leefklimaat daaronder begrepen.

3. Indien de vergunning voor de exploitatie van de openbare inrichting ingetrokken is in het belang van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, kan de burgemeester bepalen, dat een nieuwe vergunning voor dezelfde openbare inrichting gedurende een bij de intrekking vastgestelde termijn van ten hoogste vijf jaar kan worden geweigerd.