1. Indien er een verandering van omstandigheden optreedt, waardoor er een wijziging in de vergunning voor de exploitatie van de openbare inrichting dient te komen, dient de leidinggevende onverwijld een ontvankelijke aanvraag om een vergunning voor de exploitatie van een openbare inrichting bij de burgemeester in te dienen.

2. Indien deze aanvraag niet binnen een maand nadat de veranderde omstandigheden zich hebben voorgedaan, is ingediend, kan de burgemeester de verleende vergunning voor de exploitatie van de openbare inrichting intrekken.

3. Een vergunning voor de exploitatie van de openbare inrichting vervalt indien:

a. gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;

b. de leidinggevende deze hoedanigheid heeft verloren;

c. een vergunning, strekkende ter vervanging van eerstbedoelde vergunning is verleend en door bekendmaking in werking is getreden.

4. Als binnen veertien dagen nadat de leidinggevende deze hoedanigheid heeft verloren een ontvankelijke aanvraag om een vergunning voor de exploitatie van dezelfde openbare inrichting wordt ingediend, blijft het bepaalde in het derde, onder b buiten toepassing, tot het moment dat op die aanvraag is beslist.