Algemene plaatselijke verordening Maasgouw 2020 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 16-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Afdeling Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Afdeling Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Afdeling Evenementen
Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen
Afdeling Toezicht op campings en recreatieparken en jachthavens
Afdeling Regulering paracommerciële rechtspersonen uit de Alcoholwet.
Afdeling Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling Huisvesting arbeidsmigranten
Afdeling Toezicht op kamerverhuur
Afdeling Toezicht op speelgelegenheden
Afdeling Maatregelen ter voorkoming van n overlast, gevaar of schade
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Afdeling Vuurwerk
Afdeling Carbidschieten
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Hoofdstuk Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Afdeling Voorkomen of beperken van geluidhinder en hinder door verlichting
Afdeling Bodem-, weg- en milieuverontreiniging
Afdeling Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast
Afdeling Kamperen buiten kampeerterreinen
Afdeling Bescherming van paddenstoelen
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente
Hoofdstuk Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk

Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente

Artikel 5:2

Voertuigen van autobedrijf en dergelijke

  1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan het gebruik van een voertuig:

    1. voor het geven van lessen, of;

    2. vervoeren van personen tegen betaling.

  2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:

    1. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of

    2. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.

  3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:

    1. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;

    2. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

  4. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.

  5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:3

Te koop aanbieden van voertuigen

  1. Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

  2. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.

  3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:4

Defecte voertuigen

Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken

niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Na deze periode mag, gedurende een periode van één week, niet binnen een straal van 500 meter van voornoemde plek worden geparkeerd.

Artikel 5:5

Voertuigwrakken

  1. Het is verboden een voertuig dat rij technisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 5:6

Kampeermiddelen en andere voertuigen

  1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:

    1. langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg binnen de bebouwde kom te plaatsen of te hebben;

    2. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; of

    3. gedurende een periode langer dan drie aaneengesloten dagen te parkeren op een plaats, zichtbaar vanaf de openbare weg. Na deze periode mag, gedurende een periode van één week, niet binnen een straal van 500 meter van voornoemde plek worden geparkeerd.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid gestelde verbod.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.

  4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:7

Grote voertuigen

  1. Vanwege de schadelijke afbreuk aan het uiterlijk aanzien van de gemeente is het verboden een voertuig dat, inclusief van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, te parkeren op alle wegen of weggedeelten gelegen binnen de bebouwde kom, van de kernen Maasbracht, Brachterbeek, Linne, Stevensweert, Ohé en Laak, Heel, Beegden, Thorn, Panheel en Wessem.

  2. Van de onder het eerste lid aangewezen wegen of weggedeelten zijn de volgende wegen en weggedeelten uitgezonderd:

    1. in de kern Maasbracht:

      • Hazenspoor;

      • Haverkamp, gedeelte ten noorden van de Battenweg;

      • St. Joosterweg, Industrieterrein;

      • S. Houbenweg;

      • Brouwersstraat, gedeelte bij S. Houbenweg (niet de doorgaande weg).

    2. in de kern Linne:

      • Leppingtonweg/Oudeweg;

      • Parkeerplaats aan de Sportveldstraat.

    3. in de kern Stevensweert:

      • Parkeerplaats Sportlaan.

    4. in de kern Ohé en Laak:

      • Prior Gielenstraat, gedeeltelijk.

    5. in de kern Thorn:

      • (bus)parkeerplaats Meers;

    6. in de Kern Wessem:

      • parkeerplaats Achter de Biënberg.

  3. De uitgezonderde wegen en weggedeelten zijn aangegeven op de bij dit artikel behorende situatietekeningen (zie bijlagen).

  4. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

  5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:8

Uitzicht belemmerende voertuigen

  1. Het is verboden een voertuig dat, inclusief de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op die manier dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

  2. Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Artikel 5:10

Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

  1. Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van of van een gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.

  2. Dit verbod is niet van toepassing op:

    1. de weg;

    2. voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam;

    3. voertuigen, waarmee een standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

Artikel 5:11

Overlast van fietsen of bromfietsen

Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen, in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast, of het voorkomen van schade aan de openbare gezondheid, fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.

Artikel 5:12

Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving

  1. Het is verboden een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven en huis- aan huis acties te houden als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

  2. Onverminderd het bepaalde in het derde lid, stelt het college in nadere regels vast in welke gevallen het verbod niet van toepassing is zie bijlage.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

  4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:13

Definitie

  1. In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.

  2. Onder venten wordt niet verstaan:

    1. het aan huis afleveren van goederen in het kader van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;

    2. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder g, van de Gemeentewet of op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 1:1, onderdeel r;

    3. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:16.

Artikel 5:14

Ventverbod

  1. Het is verboden te venten als daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

  2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het verboden te venten op:

    1. zondagen;

    2. maandag t/m zaterdag tussen 17.00 en 09.00 uur.

  3. Het verbod bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing op het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard.

  4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het tweede lid.

  5. Op de aanvraag om ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:16

Definitie

  1. In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals bijvoorbeeld een kraam, een wagen of een tafel.

  2. Onder standplaats wordt niet verstaan een vaste plaats op een:

    1. jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;

    2. evenement als bedoeld in artikel 2:12.

Artikel 5:17

Standplaatsvergunning en weigeringsgronden

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

  2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als:

    1. de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of

    2. een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dingende reden van algemeen belang.

  4. Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de standplaatsvergunning en Weigeringsgronden zie bijlage.

  5. Op de aanvraag om ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:18

Toestemming rechthebbende

Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van

het college een standplaats wordt of is ingenomen.

Artikel 5:19

Afbakeningsbepalingen

  1. Artikel 5:17, eerste lid, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

  2. De weigeringsgrond van artikel 5:17, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.

Artikel 5:22

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. aanleggen: het afmeren en het vervolgens doen of laten liggen van een vaartuig aan of op de oever, aan de oeverbescherming, aan of op een natuurlijke of een voor dit doel aangebrachte voorziening of aan een ander vaartuig, gedurende de tijd die daadwerkelijk gebruikt wordt voor een verblijf op of in de omgeving van het vaartuig;

  2. aanlegsteiger: voorziening waaraan schepen kunnen afmeren en ligplaats kunnen nemen;

  3. afmeren: het vastmaken van een vaartuig of ander drijvend object aan een vast object, zoals een kade of oever;

  4. ankeren: het vastleggen van een vaartuig aan de bodem van het vaarwater;

  5. bedrijfsvaartuig: een vaartuig, daaronder begrepen een object te water, niet zijnde een zeeschip, binnenschip of dienstvaartuig, hoofdzakelijk gebruikt voor de uitoefening van een reëel bedrijf of beroep met dat vaartuig dan wel voor de uitoefening van sociaal-culturele activiteiten;

  6. dag: de periode tussen 00:00 uur en 24:00 uur;

  7. haven: een tot duurzame exploitatie bestemde accommodatie te land en/of te water, waar bedrijfsmatig gelegenheid wordt geboden tot het ter plaatse al of niet onder toezicht gedurende langere tijd achterlaten van een vaartuig, ongeacht of met die exploitatie al of niet winst wordt beoogd;

  8. ligplaats: een plaats in het water, al dan niet aangevuld met een op de oever aanwezig terrein of een gedeelte daarvan, dat bestemd is voor het aanleggen of innemen van een ligplaats voor bepaalde of onbepaalde tijd van een vaartuig, geschikt voor woon-, bedrijfsmatige of recreatieve doeleinden;

  9. ligplaats innemen: het afmeren en het vervolgens doen of laten liggen van een vaartuig aan of op de oever, aan de oeverbescherming, aan of op een natuurlijke of een voor dit doel aangebrachte voorziening of aan een ander vaartuig, anders dan met aanleggen wordt bedoeld;

  10. oever: overgang tussen land en het openbaar water. Onder oever is mede begrepen de oeverbescherming en de daarvan deel uitmakende beplanting;

  11. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

  12. passagiersvaartuig: een bedrijfsvaartuig, hoofdzakelijk gebruikt voor of bestemd tot:

    • vervoer van personen, of;

    • om beschikbaar te worden gesteld voor recreatief vervoer voor meerdere personen;

  13. passantenhaven: een plek met tijdelijke ligplaatsen uitsluitend bestemd voor pleziervaartuigen voor een periode van maximaal 3 x 24 uur;

  14. pleziervaartuig: een vaartuig dat is bestemd voor sportbeoefening of vrijetijdsbesteding, met een romplengte van minimaal 2,5 meter en maximaal 24 meter;

  15. rietkraag: rand van riet langs de oever;

  16. rondvaartboten/feestboten: een passagiersvaartuig, zoals gedefinieerd in onderdeel l, hoofdzakelijk gebruikt voor of bestemd tot het vervoer van personen, of om beschikbaar te worden gesteld voor recreatief vervoer voor meerdere personen;

  17. schip: elk vaartuig met inbegrip van een vaartuig zonder waterverplaatsing en een watervliegtuig, gebruikt of geschikt om te worden gebruikt als een middel van vervoer te water;

  18. surfoever: een veelal door borden of andere merktekens aangeduide plaats op de oever waar door surfers wordt aangeland;

  19. zwemgelegenheid (in oppervlaktewater): officieel (door de provincie) aangewezen zwemwaterlocatie in oppervlaktewater, niet zijnde een zweminrichting, waar door een groot aantal personen wordt gezwommen;

  20. zweminrichting: een voor het publiek toegankelijke plaats die is ingericht om te worden gebruikt voor het zwemmen, tezamen met de daarbij behorende terreinen, bouwwerken en uitrustingen.

Artikel 5:23

Voorwerpen op, in of boven openbaar water

Vervallen

Innemen ligplaats

Artikel 5:24

Ligplaats vaartuigen

  1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.

  2. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water:

    1. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente;

    2. beperkingen stellen naar soort, tijdsduur en aantal vaartuigen.

  3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet milieubeheer of het Binnenvaartpolitiereglement.

  4. Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  5. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of namens het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

Artikel 5:25

Verbod innemen ligplaats

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 5:40 (Tijden van verblijf passantenhavens), is het verboden met een vaartuig buiten de havens langer dan 3 achtereenvolgende dagen op dezelfde locatie een ligplaats in te nemen of, als het vaartuig is verplaatst, binnen 3 dagen weer dezelfde ligplaats in te nemen. Onder een dag wordt verstaan de tijd tussen 00:00 uur en 24:00 uur.

  2. Ten aanzien van het genoemde in het eerste lid geldt dat als het vaartuig wordt verplaatst naar een plaats gelegen binnen een afstand van 500 meter hemelsbreed gemeten van een eerder ingenomen verboden ligplaats, het vaartuig wordt geacht op dezelfde plaats te zijn blijven liggen.

  3. Het in het eerste lid vermelde verbod geldt niet:

    1. voor bedrijfsvaartuigen die direct of indirect betrokken zijn bij ontgronding of bij de inrichting van de wateren;

    2. op de bestemde werkstroken ten behoeve van de scheepsbouw.

Artikel 5:25A

Verboden gebruik oevers

  1. Het is verboden om met een vaartuig een ligplaats in te nemen in de voor de oever gelegen rietkraag;

  2. Het is verboden om met een vaartuig in een rietkraag of in de oever te ankeren;

  3. Het is verboden een vaartuig, langer dan 2,5 meter, te water te laten, uit het water te halen, op gronden neer te leggen of te laten liggen aan de oever anders dan op de daarvoor door het college aangewezen of bestemde plaatsen die ter plaatse nader zijn aangeduid.

Artikel 5:29

Verbod innemen ligplaats/verbod tot ankeren

Vervallen.

Openbare orde en veiligheid

Artikel 5:30

Beschadigen van waterstaatswerken

  1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 5:31

Reddingsmiddelen

Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel of voor onmiddellijk gebruik ongeschikt te maken.

Artikel 5:32

Veiligheid op het water

  1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.

  2. Het is verboden binnen twintig meter van een in gebruik zijnde zweminrichting, zwemgelegenheid of surfoever te varen en te ankeren.

  3. De verboden, genoemd in lid 1 en 2, zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de provinciale omgevingsverordening of het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet.

Artikel 5:33

Overlast aan vaartuigen

  1. Het is verboden zich zonder redelijk doel vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.

  2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.

Artikel 5:34

Verstoren goede orde

  1. Het is verboden op het openbaar water de goede orde te verstoren, onder meer door:

    1. het veroorzaken van geluidhinder, in welke vorm ook;

    2. op enigerlei wijze de rust te verstoren tussen 22.00 uur 's avonds en 07.00 uur ’s morgens;

    3. het verontreinigen van het terrein, het water, de gebouwen, de steigers en andere werken door vuilnis, olie, chemicaliën, bilgewater, etc.;

    4. het gebruik van een boordtoilet of het anderszins storten van fecaliën en bijkomend afvalwater in openbaar water;

    5. het onvoorzichtig omgaan met vuur, daaronder begrepen het aan te water liggende vaartuigen uitvoeren van werkzaamheden, waarbij hoge temperaturen ontstaan, alsmede het onvoorzichtig omgaan met benzine, gas of andere ontvlambare stoffen;

    6. het laten proefdraaien van boordmotoren met ingeschakelde schroef;

    7. anderszins handelingen te verrichten, waardoor hinder, overlast of gevaar wordt of kan worden veroorzaakt.

  2. Het is voorts verboden:

    1. aan steigers of palen te spijkeren of enige andere voorziening te maken waarvoor geen toestemming is verleend door het college;

    2. aanpassingen aan de waterbodem en/of puinbestortingen te maken

    3. aanlegtouwen etc. over het loopvlak van de steigers of voetpaden te bevestigen

    4. oevergroen te snoeien en/of te maaien.

Artikel 5:35

Voorwerpen op, in of boven openbaar water

Passagiersvaartuigen

  1. Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

  2. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 5:36

Afmeren passagiersvaartuigen (o.a. rondvaartboten, feestboten en riviercruises)

  1. Het is verboden met een passagiersvaartuig af te meren.

  2. Het verbod in het eerste lid geldt niet:

    1. voor het afmeren aan de aanlegsteigers binnen de kernen:

      1. Stevensweert, zoals afgebeeld in bijgevoegde situatietekening;

      2. Thorn, zoals afgebeeld in bijgevoegde situatietekening;

      3. Wessem, zoals afgebeeld in bijgevoegde situatietekening.

    2. en een daartoe strekkende vergunning is verleend door het college.

Artikel 5:39

Bestemming passantenhavens

  1. De binnen de gemeente als zodanig aangeduide passantenhavens zijn uitsluitend bestemd voor:

    1. pleziervaartuigen met een maximale lengte van 15 meter, en;

    2. een maximale diepgang van 1.80 meter.

  2. Het is verboden met andere vaartuigen een ligplaats in te nemen in de passantenhavens.

  3. Het is verboden een ligplaats in te nemen op de volgens aanduiding voor anderen gereserveerde gedeelten van de steigers in de passantenhavens.

  4. Het verbod genoemd in het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op de passantenhaven in Maasbracht. In de passantenhaven Maasbracht betreft de maximale lengte voor pleziervaartuigen 20 meter.

  5. Het college kan van het onder het eerste en tweede lid bepaalde ontheffing verlenen.

  6. Op de aanvraag om ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:40

Tijden van verblijf passantenhavens

  1. Het is verboden langer dan 3 achtereenvolgende dagen een ligplaats in dezelfde passantenhaven in te nemen en nadat deze periode is verstreken, binnen 24 uur opnieuw ligplaats in dezelfde passantenhaven in te nemen.

  2. Het is verboden tussen zonsondergang en zonsopgang een ligplaats in te nemen, vaartuigen te verplaatsen of de passantenhaven te verlaten.

  3. Het verbod genoemd in het eerste lid is niet van toepassing op de passantenhaven in Maasbracht.

  4. Het college kan van het onder het eerste en tweede lid bepaalde ontheffing verlenen.

  5. Op de aanvraag om ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:41

Afmeren passantenhavens

De schipper op een vaartuig moet ervoor te zorgen, dat het vaartuig op deugdelijke wijze is

afgemeerd, op een manier dat het vrij van andere vaartuigen, steigers of palen blijft.

Artikel 5:42

Liggeld passantenhavens

  1. Voor een verblijf met een vaartuig in de passantenhavens in Maasbracht en Wessem is liggeld verschuldigd.

  2. De hoogte van het liggeld en de wijze van inning wordt door het college vastgesteld.

Artikel 5.43

Gebruiksregels passantenhavens

  1. Het is verboden in de passantenhaven te zwemmen, te spelevaren of te surfen.

  2. Ook buiten de in het tweede lid genoemde periode is het verboden geluidhinder te veroorzaken.

  3. Tevens is het verboden anderszins handelingen te verrichten, waardoor hinder, overlast of gevaar wordt of kan worden veroorzaakt.

Artikel 5:44

Milieuhygiëne en veiligheid passantenhavens

  1. Het is niet toegestaan roerende zaken op de kaden te plaatsen en deze kaden anders te gebruiken dan overeenkomstig de bestemming.

  2. Het verwijderen of achterlaten van afval, vuilnis en het lozen van de inhoud van vuilwatertanks, chemische toiletten etc. is op de locatie van de passantenhaven verboden. Gebruik moet worden gemaakt van elders door derden ter beschikking gestelde voorzieningen.

  3. Indien als gevolg van een ongeval, lekkage of anderszins benzine, andere ontvlambare of verontreinigde stoffen overboord gaan of anderszins in het water of op de oever terechtkomen, is de schipper op een vaartuig verplicht dit onmiddellijk aan de beheerder van de passantenhaven of bij diens afwezigheid aan de politie te melden.

  4. Het gebruik van een direct op het water lozend toilet is verboden.

  5. Het vaartuig dient te zijn uitgerust met een goed functionerende brandblusser.

Artikel 5:45

Verbod onderhoudswerkzaamheden passantenhavens

Het is verboden in de passantenhaven zonder ontheffing van het college belangrijke reparaties of groot onderhoud aan vaartuigen te verrichten of te laten verrichten.

Artikel 5:46

Ordebepaling passantenhavens

De rechthebbende op een vaartuig is zolang het vaartuig in de passantenhaven verblijft, verplicht alle aanwijzingen op te volgen van de beheerder en toezichthoudende ambtenaren van de gemeente Maasgouw.

Artikel 5:46A

Afbakening

Deze afdeling is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door een wet in formele zin, verordeningen van de provincie of het waterschap en de Woonschepenverordening Maasgouw.

Artikel 5:48

Crossterreinen

  1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

  2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:

    1. het voorkomen of beperken van overlast;

    2. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;

    3. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

  3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of het Besluit geluidproductie sportmotoren.

Artikel 5:49

Beperking verkeer in natuurgebieden

  1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.

  2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:

    1. het voorkomen van overlast;

    2. de bescherming van natuur- of milieuwaarden;

    3. de veiligheid van het publiek.

  3. Het verbod is niet van toepassing op bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden:

    1. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten;

    2. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    3. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

    4. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    5. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.

  4. Het verbod is voorts niet van toepassing:

    1. op wegen die zijn gelegen binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden en terreinen;

    2. binnen de bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als ‘toestel’.

  5. Het college kan ontheffing verlenen van het opgenomen verbod.

Artikel 5:50

Verbod verbranden afvalstoffen buiten inrichtingen of anderszins vuur stoken

  1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

  2. Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op:

    1. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

    2. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand;

    3. vuur voor koken, bakken en braden;

    4. Sint Maartensvuren, mits wordt voldaan aan de brandveiligheidsvoorschriften zoals opgenomen in de Nadere regels evenementen en de voorschriften zoals opgenomen in de verleende ontheffing op grond van artikel 10.2 en 10.63 Wet Milieubeheer zie bijlage.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.

  5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale omgevingsverordening.

Artikel 5:51

Definitie

In deze afdeling wordt onder incidentele as verstrooiing verstaan het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.

Artikel 5:52

Verboden plaatsen

  1. Incidentele as verstrooiing is verboden op:

    1. verharde delen van de weg;

    2. gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.

  2. Het college kan voor een bepaalde periode verbieden dat op andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid as verstrooiing plaatsvindt.

  3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder a .

  4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:53

Hinder of overlast

Incidentele as verstrooiing is verboden als daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor

derden.

← terug naar Algemene plaatselijke verordening Maasgouw 2020