In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. aanleggen: het afmeren en het vervolgens doen of laten liggen van een vaartuig aan of op de oever, aan de oeverbescherming, aan of op een natuurlijke of een voor dit doel aangebrachte voorziening of aan een ander vaartuig, gedurende de tijd die daadwerkelijk gebruikt wordt voor een verblijf op of in de omgeving van het vaartuig;

  2. aanlegsteiger: voorziening waaraan schepen kunnen afmeren en ligplaats kunnen nemen;

  3. afmeren: het vastmaken van een vaartuig of ander drijvend object aan een vast object, zoals een kade of oever;

  4. ankeren: het vastleggen van een vaartuig aan de bodem van het vaarwater;

  5. bedrijfsvaartuig: een vaartuig, daaronder begrepen een object te water, niet zijnde een zeeschip, binnenschip of dienstvaartuig, hoofdzakelijk gebruikt voor de uitoefening van een reëel bedrijf of beroep met dat vaartuig dan wel voor de uitoefening van sociaal-culturele activiteiten;

  6. dag: de periode tussen 00:00 uur en 24:00 uur;

  7. haven: een tot duurzame exploitatie bestemde accommodatie te land en/of te water, waar bedrijfsmatig gelegenheid wordt geboden tot het ter plaatse al of niet onder toezicht gedurende langere tijd achterlaten van een vaartuig, ongeacht of met die exploitatie al of niet winst wordt beoogd;

  8. ligplaats: een plaats in het water, al dan niet aangevuld met een op de oever aanwezig terrein of een gedeelte daarvan, dat bestemd is voor het aanleggen of innemen van een ligplaats voor bepaalde of onbepaalde tijd van een vaartuig, geschikt voor woon-, bedrijfsmatige of recreatieve doeleinden;

  9. ligplaats innemen: het afmeren en het vervolgens doen of laten liggen van een vaartuig aan of op de oever, aan de oeverbescherming, aan of op een natuurlijke of een voor dit doel aangebrachte voorziening of aan een ander vaartuig, anders dan met aanleggen wordt bedoeld;

  10. oever: overgang tussen land en het openbaar water. Onder oever is mede begrepen de oeverbescherming en de daarvan deel uitmakende beplanting;

  11. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

  12. passagiersvaartuig: een bedrijfsvaartuig, hoofdzakelijk gebruikt voor of bestemd tot:

    • vervoer van personen, of;

    • om beschikbaar te worden gesteld voor recreatief vervoer voor meerdere personen;

  13. passantenhaven: een plek met tijdelijke ligplaatsen uitsluitend bestemd voor pleziervaartuigen voor een periode van maximaal 3 x 24 uur;

  14. pleziervaartuig: een vaartuig dat is bestemd voor sportbeoefening of vrijetijdsbesteding, met een romplengte van minimaal 2,5 meter en maximaal 24 meter;

  15. rietkraag: rand van riet langs de oever;

  16. rondvaartboten/feestboten: een passagiersvaartuig, zoals gedefinieerd in onderdeel l, hoofdzakelijk gebruikt voor of bestemd tot het vervoer van personen, of om beschikbaar te worden gesteld voor recreatief vervoer voor meerdere personen;

  17. schip: elk vaartuig met inbegrip van een vaartuig zonder waterverplaatsing en een watervliegtuig, gebruikt of geschikt om te worden gebruikt als een middel van vervoer te water;

  18. surfoever: een veelal door borden of andere merktekens aangeduide plaats op de oever waar door surfers wordt aangeland;

  19. zwemgelegenheid (in oppervlaktewater): officieel (door de provincie) aangewezen zwemwaterlocatie in oppervlaktewater, niet zijnde een zweminrichting, waar door een groot aantal personen wordt gezwommen;

  20. zweminrichting: een voor het publiek toegankelijke plaats die is ingericht om te worden gebruikt voor het zwemmen, tezamen met de daarbij behorende terreinen, bouwwerken en uitrustingen.