Algemene plaatselijke verordening Maasgouw 2020 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 16-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Afdeling Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Afdeling Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Afdeling Evenementen
Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen
Afdeling Toezicht op campings en recreatieparken en jachthavens
Afdeling Regulering paracommerciële rechtspersonen uit de Alcoholwet.
Afdeling Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling Huisvesting arbeidsmigranten
Afdeling Toezicht op kamerverhuur
Afdeling Toezicht op speelgelegenheden
Afdeling Maatregelen ter voorkoming van n overlast, gevaar of schade
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Afdeling Vuurwerk
Afdeling Carbidschieten
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Hoofdstuk Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Afdeling Voorkomen of beperken van geluidhinder en hinder door verlichting
Afdeling Bodem-, weg- en milieuverontreiniging
Afdeling Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast
Afdeling Kamperen buiten kampeerterreinen
Afdeling Bescherming van paddenstoelen
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente
Hoofdstuk Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen

Afdeling

Maatregelen ter voorkoming van n overlast, gevaar of schade

Artikel 2:31

Betreden gesloten woning of lokaal

  1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

  2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

  3. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen van wie aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.

Artikel 2:32

Plakken en kladden

  1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te beschadigen waaronder te bekrassen of te bekladden.

  2. Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  3. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.

Artikel 2:33

Vervoer inbrekerswerktuigen

  1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

  2. Het verbod is niet van toepassing als de inbrekerswerktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

Artikel 2:34

Vervoer geprepareerde voorwerpen

  1. Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels een voorwerp te vervoeren of bij zich te hebben dat kennelijk is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen.

Artikel 2:35

Rijden over bermen en dergelijke

  1. Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist.

  2. Dit verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.

Artikel 2:36

Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

  1. Het is verboden op een openbare plaats:

    1. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekwerk, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

    2. zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:37

Verboden drankgebruik

  1. Het is voor personen verboden op de volgende openbare plaatsen alcoholhoudende drank bij zich te hebben:

    1. binnen het openbaar gebied in de omgeving van Kloosterhof zoals aangegeven op de bijgevoegde situatietekening. Zie bijlage;

    2. binnen andere door het college aangewezen gebieden.

  2. Het is verboden op een openbare plaats alcoholhoudende drank te nuttigen indien dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of anderszins overlast veroorzaken.

  3. Het verbod genoemd in het eerste lid is niet van toepassing op:

    1. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;

    2. een andere plaats dan een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.

Artikel 2:38

Verboden gedrag bij of in gebouwen

  1. Het is verboden zonder redelijk doel:

    1. in een portiek of poort op te houden;

    2. op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.

  2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning dan wel van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.

Artikel 2:38a

Gedragsaanwijzing

  1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

  2. Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester kan beleidsregels vaststellen over het gebruik van deze bevoegdheid.

  3. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke:

    1. geluid- of geurhinder;

    2. hinder van dieren;

    3. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;

    4. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;

    5. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.

Artikel 2:39

Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten

Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of

op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.

Artikel 2:40

Neerzetten van fietsen of bromfietsen

Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan

tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een

portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van een gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang wordt versperd of de verkeersveiligheid in gedrang komt.

Artikel 2:41

Bespieden van personen

  1. Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindt, te bespieden.

  2. Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een persoon die zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindt, te bespieden.

Artikel 2:42

Verblijven honden en loslopende honden

  1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

    1. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak ofspeelweide, sportvelden en schoolterreinen, begraafplaats of op een andere door het college aangewezen plaats;

    2. binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd;

    3. buiten de bebouwde kom zonder dat die hond is aangelijnd:

      • op de locaties Beegderheide, Heelderpeel zoals aangegeven op bijgevoegde situatietekening.

        Zie bijlage;

      • op de locatie Leerkeven zoals aangegeven op bijgevoegde situatietekening. Zie bijlage;

      • op een door het college aangewezen plaats.

    4. buiten de bebouwde kom zonder toezicht en zonder begeleiding;

    5. op de weg als de hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

  2. Onder het genoemde in het eerste lid, aanhef en onder b vallen in ieder geval de locaties:

    • het Breerpark te Maasbracht, en;

    • het park gelegen aan de Parklaan/Julianalaan te Maasbracht.

  3. Het eerste lid, aanhef en onder b is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  4. Het eerste lid, aanhef onder b en c zijn niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die:

    1. zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of

    2. deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

Artikel 2:43

Verontreiniging door honden

  1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht spullen (bijvoorbeeld een schepje of plastic zakje) bij zich te hebben waarmee hondenpoep opgeruimd kan worden en te zorgen dat de uitwerpselen van de hond onmiddellijk worden verwijderd. De uitwerpselen moeten in een daarvoor bestemde voorziening worden gedeponeerd, zoals bijvoorbeeld de gemeentelijke afvalbakken of een duobak in eigen beheer.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.

  3. De opruimplicht geldt niet:

    1. op de volgende locaties die als uitlaatplaatsen en losloopgebieden ter plaatse zijn aangeduid:

      Uitlaatplaatsen:

      • kern Beegden, ter hoogte van de Gaardweg;

      • kern Heel, ter hoogte van het Sleydal;

      • kern Linne, ter hoogte van de onderste Boord en Oeveren;

      • kern Maasbracht, ter hoogte van de Haverkamp, de Sint Joosterweg en de Kanaalweg;

      • kern Ohé en Laak, ter hoogte van de Bosstraat en de Moeder Magdalenastraat en de Contelmostraat;

      • kern Stevensweert, ter hoogte van de Maasdijk en het eiland;

      • kern Thorn, ter hoogte van de Panheeldersteeg en het Lindepad;

      • kern Wessem, ter hoogte van de oude Thornerweg.

    2. Losloopgebieden

      • kern Beegden, ter hoogte van de Oosderweg en de Eerdweg;

      • kern Linne, ter hoogte van de Akkerweg;

      • kern Maasbracht, ter hoogte van de Broekstraat en de Trambaan;

      • kern Ohé en Laak, ter hoogte van de weg over de Dijk;

      • kern Stevensweert, ter hoogte van de weg langs de Grinderkens;

      • en kern Wessem, ter hoogte van de Polstraat.

    3. in de overige openbare ruimten buiten de bebouwde kom.

  4. Het college kan buiten de bebouwde kom gebieden en locaties aanwijzen waar wel een opruimplicht geldt.

Artikel 2:44

Gevaarlijke honden

  1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van die hond een aanlijn- en/of muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

  2. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd is verplicht de hond kort aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.

  3. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn en muilkorfgebod is opgelegd is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

    1. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

    2. door middel van een stevige leren riem zo rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en

    3. zo is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

  4. Onverminderd artikel 2:42, eerste lid, aanhef onder e dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

Artikel 2:44a

Gevaarlijke honden op eigen terrein

  1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:35, eerste lid, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk.

  2. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als:

    1. op een vanaf de weg zichtbare plaats naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht;

    2. het mogelijk is een brievenbus te bereiken; en

    3. het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.

Artikel 2:45

Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren

  1. Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen, ter voorkoming of beëindiging van overlast of schade aan de openbare gezondheid, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:

    1. aanwezig te hebben;

    2. aanwezig te hebben in strijd met de door het college gestelde nadere regels; en/of

    3. te voeren.

  2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van één of meer verboden bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2:46

Loslopend vee

De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens (vee), die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat maatregelen worden getroffen zodat dit vee die weg niet kan bereiken.

Artikel 2:47

Bijen

  1. Het is verboden bijen te houden binnen een afstand van 30 meter van:

    1. woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven; en/of

    2. van de weg.

  2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing als op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een legale afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.

  3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid.

  4. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening

  5. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:48

Bedelarij

Het is verboden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken in het door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast aangewezen gebieden.

Artikel 2:48a

Overnachten in de buitenlucht bij extreme koude weersomstandigheden

Het is verboden zich bij een gevoelstemperatuur van – 10C of kouder tussen 21:00 uur en 07:00 uur op te houden in de buitenlucht met het kennelijke doel een aanzienlijk deel van de nacht in de buitenlucht door te brengen.

Artikel 2:48b

Slaapverblijf op de openbare plaats

Het is verboden op een openbare plaats, al dan niet in een motorvoertuig, te slapen, dan wel op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent, caravan of een soortgelijk of ander onderkomen te plaatsen met het kennelijke doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te slapen dan wel gelegenheid daartoe te bieden

← terug naar Algemene plaatselijke verordening Maasgouw 2020