Algemene plaatselijke verordening Maasgouw 2020 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 16-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Afdeling Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Afdeling Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Afdeling Evenementen
Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen
Afdeling Toezicht op campings en recreatieparken en jachthavens
Afdeling Regulering paracommerciële rechtspersonen uit de Alcoholwet.
Afdeling Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling Huisvesting arbeidsmigranten
Afdeling Toezicht op kamerverhuur
Afdeling Toezicht op speelgelegenheden
Afdeling Maatregelen ter voorkoming van n overlast, gevaar of schade
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Afdeling Vuurwerk
Afdeling Carbidschieten
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Hoofdstuk Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Afdeling Voorkomen of beperken van geluidhinder en hinder door verlichting
Afdeling Bodem-, weg- en milieuverontreiniging
Afdeling Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast
Afdeling Kamperen buiten kampeerterreinen
Afdeling Bescherming van paddenstoelen
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente
Hoofdstuk Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen

Artikel 1:1

Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  1. bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;

  2. beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

  3. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet;

  4. bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

  5. bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;

  6. college: het college van burgemeester en wethouders;

  7. gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

  8. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk een commercieel belang wordt gediend;

  9. ideële reclame: iedere openbare aanprijzing waarmee een maatschappelijk of politiek belang wordt gediend;

  10. motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

  11. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar zijn of op andere wijze toegankelijk;

  12. openbare plaats: wat in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan;

  13. parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

  14. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;

  15. reclame: verzamelterm voor de uiting van handels- en ideële reclame;

  16. snuffelmarkt: een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw of plaats waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats. Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan: een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;

  17. voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens en rolstoelen;

  18. weg: wat in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet daaronder wordt verstaan.

Artikel 1:2

Beslistermijn

  1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

  2. Het bevoegde bestuursorgaan kan de beslistermijn met maximaal acht weken verlengen.

  3. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.

Artikel 1:4

Voorschriften, voorwaarden en beperkingen

  1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften, voorwaarden en beperkingen worden verbonden. Deze strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

  2. Het is verboden de aan een vergunning of ontheffing verbonden voorschriften, voorwaarden en beperkingen te overtreden of te laten overtreden.

  3. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.

Artikel 1:5

Persoonlijk karakter vergunning of ontheffing

  1. De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.

Artikel 1:6

Wijziging, schorsing en intrekking van vergunning of ontheffing

De vergunning en ontheffing kunnen worden gewijzigd, geschorst of ingetrokken als:

  1. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

  2. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

  3. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften, voorwaarden of beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

  4. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een redelijke termijn, als de vergunning of ontheffing hierover niets regelt.

  5. de houder dit verzoekt.

  1. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1:7

Verlening voor onbepaalde tijd

  1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

  2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.

Artikel 1:8

Weigeringsgronden

  1. De vergunning of ontheffing kan door het bevoegde gezag worden geweigerd in het belang van:

    1. de openbare orde;

    2. de openbare veiligheid;

    3. de volksgezondheid;

    4. de bescherming van het milieu; en of

    5. het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Artikel 2:1

Samenscholing en ongeregeldheden

  1. De burgemeester kan voor een bepaalde periode en in het belang van de openbare orde, een samenscholingsverbod instellen voor een duidelijk beschreven en aangewezen openbare plaats of gebied.

  2. Het is verboden onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.

  3. Degene die op een openbare plaats:

    1. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;

    2. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of

    3. zich bevindt bij een op grond van het eerste lid ingesteld samenscholingsverbod; is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie of een buitengewoon opsporingsambtenaar werkzaam voor de gemeente Maasgouw zijn weg te vervolgen of zich in de door deze aangewezen richting te verwijderen.

  4. Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan zijn afgezet in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden.

  5. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het vierde lid.

  6. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

Artikel 2:2

Gebiedsontzegging

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verrichten:

    1. een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste 24 uur in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare aanwezig te zijn;

  2. In het geval van overtredingen als bedoeld in het eerste lid kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een tijdelijk verbod is opgelegdals bedoeld in dat lid en die binnen 6 maanden na een eerder tijdelijk verbod opnieuw één of meer van de bovengenoemde overtredingen begaat, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste acht weken in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.

  3. De burgemeester beperkt het krachtens het eerste of tweede lid opgelegde verbod, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod.

  4. Wat staat in het eerste tot en met het derde lid geldt niet als degene die voor de gebiedsontzegging in aanmerking komt in het door de burgemeester aangewezen gebied zijn woning heeft, zijn werk of beroep uitoefent of hulpverlenende instanties bezoekt. In dit laatste het geval, dan wordt de kortste route aangewezen, waarlangs degene die de gebiedsontzegging krijgt opgelegd het gebied moet betreden of verlaten.

  5. Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste of tweede lid opgelegd verbod.

  6. Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid.

Artikel 2:3

Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen

  1. Het is verboden een betoging op een openbare plaats te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, tenzij degene die dit voornemen heeft daarvan vóór de openbare aankondiging en tenminste twee werkdagen voordat de betoging wordt gehouden, daarvan een schriftelijke kennisgeving doet aan de burgemeester.

  2. De kennisgeving bevat:

    1. naam en adres van degene die de betoging houdt;

    2. het doel van de betoging;

    3. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en beëindiging;

    4. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;

    5. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en

    6. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

  3. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.

  4. Het verbod dat staat in het eerste lid, is niet van toepassing als naar het oordeel van de burgemeester bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven en in de kennisgeving daarom wordt verzocht.

Artikel 2:4

Straatartiest e.d.

  1. Het is verboden om voor van publiek langer dan 30 minuten per dag in een straal van 100 meter rondom detailhandel en horeca binnen de gemeente als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of straatmuzikant op te treden.

  2. De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

  3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.

  4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:5

Voorwerpen op of aan de weg of andere openbare plaats

  1. Het is verboden de weg, een weggedeelte of andere openbare plaats anders te gebruiken, in de vorm van het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg, dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. Hiervan is in ieder geval sprake als dat gebruik:

    1. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer en onderhoud van de weg; of

    2. niet voldoet aan redelijke eisen van welstand of de van kracht zijnde Welstandsnota.

  2. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen die gelden voor de plaatsing van voorwerpen op of aan de weg zie bijlage.

  3. Het is verboden om te handelen in strijd met de nadere regels zoals bedoeld in het tweede lid.

  4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

  5. Het verbod in het eerste lid geldt niet in het geval van:

    1. evenementen als bedoeld in artikel 2:13;

    2. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:16;

    3. terrassen als bedoeld in artikel 2:14;

    4. steigers, containers en uitstallingen, als bedoeld in de nadere regels plaatsen containers, steigers en uitstallingen op of aan de weg zie bijlage;

    5. reclame als bedoeld in de nadere regels reclame, onverminderd artikel 4:10;

    6. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.

    7. beperkingengebied

      activiteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

  6. Op de aanvraag om een ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:6

(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  2. Het verbod is niet van toepassing als in opdracht van het bevoegd gezag of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.

  3. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 2:7

Maken of veranderen van een uitweg

  1. Het is verboden zonder- of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

  2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd:

    1. ter voorkoming van gevaar voor verkeer op de weg;

    2. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

    3. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of

    4. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.

  3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.

Artikel 2:8

Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op een wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.

Artikel 2:9

Openen straatkolken en dergelijke

Het is degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2:10

Rookverbod in bossen en natuurterreinen

  1. Het is verboden in bossen en bosschages, op heide of veengronden of binnen een afstand van dertig meter daarvan:

    1. te roken; of

    2. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.

  3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a is verder niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen of op aangrenzende erven.

  4. De rechthebbende van een aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand die voor meer dan de helft bestaat uit:

    1. naaldhout;

    2. een heideveld;

    3. een veen;

    4. of een ander erf of terrein, voor zover niet bedoeld in Bijlage 1, onderdeel A, bij artikel 1.1 van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving en dat met brandbare gewassen is begroeid, is verplicht de voorschriften op te volgen, die het college geeft tot het voorkomen van brand en het beperken van de gevolgen van brand.

Artikel 2:11

Voorzieningen voor verkeer en verlichting

  1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.

Artikel 2:12

Definities

  1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

    1. bioscoopvoorstellingen en theatervoorstellingen;

    2. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;

    3. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

    4. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;

    5. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

    6. activiteiten als bedoeld in artikel 2:4 en 2:29 van deze verordening;

    7. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportgala’s als bedoeld in het tweede lid onder f.

  2. Onder evenement wordt mede verstaan een:

    1. herdenkingsplechtigheid;

    2. braderie;

    3. optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg;

    4. feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;

    5. snuffelmarkt als bedoeld in artikel 1:1, onderdeel r;

    6. vechtsportgala’s waarbij activiteiten in het kader van vecht- of verdedigingssporten worden georganiseerd.

  3. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en veiligheid een activiteit die in de daarvoor bestemde inrichting zal plaatsvinden aanmerken als een evenement als bedoeld in het eerste lid.

  4. Bij evenementen wordt de volgende klasse-indeling gehanteerd:

    1. A-evenement: regulier eenvoudig evenement;

    2. B-evenement: evenement met verhoogde aandacht en een gemiddeld risico. Dit is een evenement met een lokale of regionale uitstraling. Bij een dergelijk evenement wordt niet veel publiek van buiten de gemeente verwacht;

    3. C-evenement: grootschalig evenement met een verhoogd risico. Dit is een evenement met een sterke bovenregionale uitstraling. Bij een dergelijk evenement wordt ook publiek van buiten de regio verwacht.

    De vaststelling van de bovenvermelde klasse-indeling vindt plaats aan de hand van het scoreformulier zoals opgenomen in het meld- en aanvraagformulier evenementen zie bijlage.

Artikel 2:13

Evenement

  1. Het is verboden zonder vergunning of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

  2. Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van evenementen.

  3. De burgemeester kan voorschriften verbinden aan een evenementenvergunning zie bijlage.

  4. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet als:

    1. sprake is van een A-evenement;

    2. wordt voldaan aan de door het college vastgestelde ‘Nadere regels evenementen’;

    3. de organisator van het evenement het houden daarvan schriftelijk meldt bij de burgemeester door middel van het naar waarheid en volledig ingevulde door de burgemeester vastgestelde meldformulier zie bijlage; en

    4. de melding geschiedt minimaal 8 weken voorafgaand aan het begin van het evenement.

  5. Een vergunning voor een B-evenement moet minimaal 14 weken voorafgaand aan het begin van het evenement worden aangevraagd zie bijlage.

  6. Een vergunning voor een C-evenement moet minimaal 26 weken voorafgaand aan het begin van het evenement worden aangevraagd zie bijlage.

  7. Het is verboden om te handelen of nalaten in strijd met de nadere regels en voorschriften, zoals bedoeld in het tweede lid.

  8. Bij het indienen van een melding, bedoeld in het derde lid, onderdeel c en bij het indienen van een vergunningaanvraag, bedoeld in het vierde en vijfde lid worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd.

  9. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning bedoeld in het eerste lid worden geweigerd wegens strijdigheid met het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening en overige plaatsen.

  10. De burgemeester kan naar aanleiding van de melding, bedoeld in het derde lid onder c, binnen 20werkdagen dagen na ontvangst van de melding, voorschriften verbinden aan het te houden evenement in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de brandveiligheid en de volksgezondheid of het milieu.

  11. De burgemeester kan binnen 20 werkdagen na ontvangst van de melding, bedoeld in het derde lid onder c, besluiten het organiseren van een A-evenement als bedoeld in het tweede lid te verbieden, als daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de brandveiligheid en de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

  12. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994.

  13. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

  14. Het derde lid is niet van toepassing op vechtsportgala’s als bedoeld in artikel 2:12, tweede lid, onder f.

  15. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportgala als bedoeld in artikel 2:12, tweede li, onder f weigeren als een organisator of de aanvrager van de vergunning van enig opzicht van slecht levensgedrag is.

Artikel 2:14

Definities

  1. In deze afdeling wordt verstaan onder openbare inrichting:

    1. een hotel, (afhaal)restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis clubhuis of;

    2. elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is, logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken, rookwaren of voedsel voor directe consumptie worden verstrekt of bereid die al dan niet op een andere plek worden genuttigd, met uitzondering van supermarkten en andere vormen van detailhandel waarin in hoofdzaak waren worden verkocht om ergens anders te nuttigen.

  2. Een buiten de in het eerste lid besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of voedsel voor directe consumptie kan worden bereid of verstrekt, waar onder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte.

  3. Onder openbare inrichting wordt mede verstaan:

    1. een voor het publiek toegankelijke ruimte waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, handelingen worden verricht die verband houden met dan wel inherent zijn aan het exploiteren van wat in het maatschappelijk verkeer wordt aangeduid als onder andere een smartshop, headshop of growshop of een combinatie van deze winkelvormen;

    2. een voor het publiek toegankelijke ruimte waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, handelingen en werkzaamheden worden verricht die verband houden met dan wel inherent zijn aan het exploiteren van hetgeen in het maatschappelijk verkeer wordt aangeduid als een coffeeshop.

  4. Het aantal vergunningen, bedoeld in artikel 2:14, eerste lid onder b, dat de burgemeester kan verlenen bedraagt op grond van het coffeeshopbeleid maximaal 0. Zie bijlage.

  5. Onder exploitant wordt verstaan: degene op wiens naam de vergunning staat.

  6. Onder leidinggevende wordt verstaan:

    1. de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt uitgeoefend (de ondernemer);

    2. de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan de uitoefening van de openbare inrichting (de bedrijfsleider);

    3. de natuurlijke persoon die onmiddellijke leiding geeft aan de uitoefening van de openbare inrichting (de beheerder).

  7. In deze Afdeling worden niet als bezoekers van de openbare inrichting aangemerkt:

    1. de gezinsleden van de exploitant alsmede diens bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad;

    2. in de inrichting op dat moment werkzaam personeel;

    3. de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht (nachtregister);

    4. de personen waarvan aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.

Artikel 2:15

Exploitatie openbare inrichting

  1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  2. De aanvraag wordt gesteld op een door de burgemeester vastgesteld (elektronisch) formulier.

  3. De burgemeester weigert geheel of gedeeltelijk de vergunning of trekt deze in als:

    1. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed;

    2. voor de exploitatie van de openbare inrichting ook andere publiekrechtelijke toestemmingen zijn vereist die op grond van of krachtens de desbetreffende wettelijke bepalingen niet kunnen worden verleend; of

    3. de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan.

  4. Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigerings- of intrekkingsgrond onder a houdt de burgemeester rekening met:

    1. het karakter van de straat en de wijk waarin de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen;

    2. de aard van de openbare inrichting;

    3. de spanning waaraan het woon- en leefklimaat ter plaatse reeds bloot staat;

    4. de wijze van bedrijfsvoering door de exploitant of de leidinggevende; en

    5. het levensgedrag van de exploitant of leidinggevende.

  5. De vergunning kan voorts worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

  6. Voor de uitoefening van zijn bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid kan het college nadere regels vaststellen. Ten aanzien van het exploiteren of laten exploiteren van een terras dat deel uitmaakt van een openbare inrichting kan het college in ieder geval nadere regels vaststellen voor zie bijlage:

    1. het waarborgen van de verkeersveiligheid;

    2. de inrichting van terrassen, inclusief het voeren van reclame op terrassen;

    3. het voorkomen van overlast voor eigenaren en gebruikers van aangrenzende percelen.

  7. Het is verboden om te handelen in strijd met de door het college vastgestelde nadere regels als bedoeld in het zesde lid.

  8. Als uit de aanvraag en de daarbij behorende stukken blijkt dat het voorgenomen terras niet voldoet aan de door het college vastgestelde nadere regels, kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd.

  9. Geen vergunning als bedoeld in het eerste lid is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een:

    1. zorginstelling;

    2. museum; of

    3. een bedrijfskantine of – restaurant.

  10. Op de aanvraag om vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:15a

Bijlage vergunning en aanwezigheid leidinggevende

  1. De burgemeester vermeldt in een bijlage bij de vergunning de leidinggevenden. Als de openbare inrichting wordt uitgeoefend door een paracommerciële rechtspersoon, zoals bedoeld in artikel 2:21, dan worden tenminste twee leidinggevenden op de bijlage vermeld.

  2. Het is verboden een openbare inrichting voor het publiek geopend te houden indien in die inrichting niet aanwezig is:

    1. een leidinggevende die vermeld staat in de bijlage van de vergunning, zoals bedoeld in het eerste lid, met betrekking tot die inrichting of;

    2. een persoon wiens bijschrijving in de bijlage, zoals bedoeld in het eerste lid, is gevraagd, mits de ontvangst van die aanvraag is bevestigd, zolang nog niet op die aanvraag is beslist.

  3. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid is het voor een paracommerciële rechtspersoon, zoals bedoeld in artikel 2:21, verboden een openbare inrichting geopend te houden, indien in de inrichting niet aanwezig is:

    1. een barvrijwilliger, die vermeld staat op een door het bestuur van de paracommerciële rechtspersoon samengestelde lijst, welke lijst in de inrichting aanwezig is.

  4. In de openbare inrichting moet een afschrift aanwezig zijn van:

    1. de vergunning en de bijlage of;

    2. van een aanvraag zoals bedoeld in het tweede lid, onder b, of;

    3. de ontvangstbevestiging van een aanvraag zoals bedoeld in het tweede lid, onder b.

Artikel 2:15b

Melding bijschrijving leidinggevende

  1. Een vergunninghouder meldt aan de burgemeester zijn wens:

    1. een persoon als leidinggevende te laten bijschrijven.

  2. Deze melding geldt als een aanvraag tot wijziging van de bijlage behorende bij de vergunning.

  3. De aanvraag wordt gesteld op een door de burgemeester vastgesteld (elektronisch) formulier zie bijlage.

  4. De burgemeester bevestigt schriftelijk of elektronisch de ontvangst van de aanvraag.

  5. De burgemeester weigert de aanvraag zoals bedoeld in het tweede lid:

    1. als ten aanzien van de persoon als bedoeld in het eerste lid, sprake is van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 2:15, derde lid, onderdeel a en artikel 2:15, vierde lid, onderdeel e.

Artikel 2:15c

Vervalgronden

  1. De vergunning vervalt als:

    1. sedert haar verlening onherroepelijk is geworden, zes maanden zijn verlopen zonder dat handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;

    2. gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;

    3. de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden.

Artikel 2:16

Sluitingstijd

  1. Het is de exploitant en de leidinggevende van een openbare inrichting, die een horecabedrijf is in de zin van artikel 1 van de Alcoholwet, verboden dit voor bezoekers geopend te hebben en bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 02:00 uur en 07:00 uur.

  2. Het is de exploitant en de leidinggevende van een openbare inrichting, die een horecabedrijf is in de zin van artikel 2:14, eerste lid, sub a en b van deze verordening, waar voedsel voor directe consumptie worden bereid of verstrekt, verboden dit voor bezoekers geopend te hebben en bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 02:30 uur en 07:00 uur.

  3. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt:

    1. met carnaval in de nachten van zaterdag op zondag, van zondag op maandag en van maandag op dinsdag van 03:00 uur tot 07:00 uur;

    2. tijdens de kermisdagen, uitsluitend voor de kern waar de kermis plaatsvindt, in de nachten van zaterdag op zondag en van zondag op maandag van 03:00 uur tot 07:00 uur; en

    3. op Koningsnacht en van 5 op 6 mei van 03:00 tot 07:00 uur.

  4. Het in het tweede lid genoemde verbod geldt:

    1. met carnaval in de nachten van zaterdag op zondag, van zondag op maandag en van maandag op dinsdag van 03:30 uur tot 07:00 uur;

    2. tijdens de kermisdagen, uitsluitend voor de kern waar de kermis plaatsvindt, in de nachten van zaterdag op zondag en van zondag op maandag van 03:30 uur tot 07:00 uur; en

    3. op Koningsnacht en van 5 op 6 mei van 03:30 uur tot 07:00 uur.

  5. Het in het eerste lid opgenomen verbod geldt niet op 1 januari.

  6. De exploitant of de leidinggevende van een openbare inrichting, die een horecabedrijf is in de zin van artikel 1 van de Alcoholwet, kan maximaal 5 keer per jaar een schriftelijke melding doen bij de burgemeester van het verlengen van de sluitingstijd naar 03:00 uur zie bijlage.

  7. Het is verboden de sluitingstijd te verlengen als de schriftelijke melding als bedoeld in het zesde lid niet minimaal 5 werkdagen voor de datum waarop de verlenging van de sluitingstijd betrekking heeft, wordt gedaan en de buurtbewoners niet minimaal 5 werkdagen van tevoren door de exploitant of de leidinggevende hierover zijn geïnformeerd.

  8. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers daar te laten verblijven na sluitingstijd.

  9. De sluitingstijden zoals opgenomen in het eerste tot en met het zesde lid gelden niet voor het terras. Voor het terras gelden de sluitingstijden zoals opgenomen in de Nadere regels terrassen.

  10. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien.

Artikel 2:17

Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor één of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

Artikel 2:18

Verboden gedragingen

Het is verboden in een openbare inrichting:

  1. de orde te verstoren;

  2. zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:17, eerste lid;

  3. op het terras voedsel of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras;

Artikel 2:19

Handel binnen openbare inrichtingen

De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid van het Wetboek van strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.

Artikel 2:20

Het college als bevoegd bestuursorgaan

Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, dan treedt het college bij de toepassing van artikel 2:15 tot en met 2:17 op als bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 2:20a

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. camping, recreatiepark of jachthaven: hetgeen hieronder in het maatschappelijk verkeer wordt verstaan;

  2. de exploitant: de natuurlijke of rechtspersoon die een camping, recreatiepark of jachthaven exploiteert op grond van artikel 2:20b;

  3. de beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke leiding uitoefent of uitoefenen.

Artikel 2:20b

Vergunningplicht

  1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een camping, recreatiepark of jachthaven te exploiteren.

  2. De aanvraag voor de vergunning dient te geschieden met een door de burgemeester vastgesteld formulier, zie bijage.

  3. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld:

    1. de persoonsgegevens van de exploitant; en

    2. de persoonsgegevens van de beheerder.

  4. Op de aanvraag om vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:20c

Gedragseisen

De exploitant en de beheerder:

  1. staan niet onder curatele;

  2. zijn niet in enig opzicht van aantoonbaar slecht levensgedrag.

Artikel 2:20d

Weigeringsgronden

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als:

  1. de exploitant of beheerder niet voldoet aan de in 2:20c gestelde eisen;

  2. de exploitatie van de camping, het recreatiepark of de jachthaven in strijd is met het omgevingsplan;

  3. naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de camping, het recreatiepark of de jachthaven of de openbare orde door de exploitatie van de camping, het recreatiepark of de jachthaven op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed;

  4. de exploitatie van de camping of het recreatiepark of de jachthaven een onaanvaardbaar risico op ernstige verstoring van de openbare orde met zich zal meebrengen;

  5. dit in het belang is van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten.

Artikel 2:20e

Sluiting

  1. De burgemeester kan ter bescherming van de openbare orde en veiligheid de sluiting bevelen van een camping, recreatiepark of een jachthaven als daar:

    1. door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel verworven of overgedragen;

    2. discriminatie heeft plaatsgevonden op grond van ras, geslacht, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook;

    3. wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend;

    4. zich andere feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van de camping of recreatiepark of jachthaven ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde.

  2. De burgemeester kan de sluiting bevelen van een camping, recreatiepark of jachthaven als:

    1. de exploitant of beheerder handelt in strijd met het bepaalde in de artikel 2:20b, eerste lid, of 2:20c onder sub a en b;

    2. de exploitant of beheerder handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften.

  3. De burgemeester trekt het sluitingsbevel in als naar zijn oordeel de in het eerste lid genoemde belangen voortzetting van de sluiting niet langer vereisen.

  4. De burgemeester draagt zorg voor het aanbrengen van het bevel tot sluiting bij de toegang van de inrichting of in de directe nabijheid daarvan.

  5. De rechthebbende laat toe dat een afschrift van het sluitingsbevel wordt aangebracht.

Artikel 2:20f

Aanwezigheid in gesloten camping, recreatiepark of jachthaven

  1. Het is verboden een camping, recreatiepark of jachthaven te betreden waarvan de sluiting is bevolen.

  2. Het is de rechthebbende verboden zonder toestemming van de burgemeester bezoekers toe te laten of zelf de inrichting te betreden.

Artikel 2:20g

Intrekking vergunning

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 wordt de vergunning ingetrokken als:

  1. De exploitatie van de camping, recreatiepark of jachthaven door een andere dan in de vergunning genoemde houder wordt overgenomen;

  2. De exploitant of beheerder niet meer voldoet aan de in artikel 2:20c onder sub a en b gestelde eisen.

Artikel 2:20h

Overgangsbepaling

De gebods- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning krachtens deze afdeling is vereist en die verder niet voorkomen in deze verordening, zijn niet van toepassing gedurende twaalf weken na inwerkingtreding van deze afdeling en ook niet na deze termijn, voor zover degene die op grond van deze afdeling een vergunning nodig heeft, binnen deze termijn een aanvraag voor deze vergunning heeft ingediend, totdat op de aanvraag onherroepelijk is beslist.

Artikel 2:21

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. alcoholhoudende drank;

  2. horecabedrijf;

  3. horecalokaliteit;

  4. inrichting;

  5. paracommerciële rechtspersoon;

  6. sterke drank;

  7. slijtersbedrijf;

  8. zwak-alcoholhoudende drank,

  9. dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.

Artikel 2:22

Schenktijden paracommerciële rechtspersonen

  1. Een paracommerciële rechtspersoon die zich voornamelijk richt op het organiseren van activiteiten waarbij het faciliteren van sociale interactie een voorname rol speelt, kan alcoholhoudende drank verstrekken. Dit mag echter alleen vanaf één uur voor de aanvang en tot uiterlijk twee uur na afloop van een activiteit die wordt gehouden in verband met de statutaire doelen van deze paracommerciële rechtspersoon. Maar niet later dan 02.00 uur.

  2. Overige paracommerciële rechtspersonen kunnen alcoholhoudende drank verstrekken vanaf één uur voor aanvang en tot uiterlijk twee uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van deze paracommerciële rechtspersoon met inachtneming van de volgende schenktijden:

    • maandag tot en met vrijdag vanaf 16.00 uur tot 00.00 uur;

    • zaterdag en zondag vanaf 10.00 uur tot 00.00 uur.

Artikel 2:23

Bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen

Paracommerciële rechtspersonen verstrekken geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die zijn gericht op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.

Artikel 2:24

Stellen van voorschriften en beperken vergunning

De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, zedelijkheid, volksgezondheid en ter bevordering van de naleving van artikel 20 van de Alcoholwet voorschriften aan de vergunning verbinden en de vergunning beperken tot zwak alcoholhoudende drank.

Artikel 2:25

Definities

In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep, bedrijf of vereniging aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of de gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.

Artikel 2:26

Melding exploitatie

Het is verboden een inrichting op te richten, over te nemen, te verplaatsen dan wel de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting te staken, zonder dit schriftelijk te melden aan de burgemeester, binnen drie dagen direct daarna.

Artikel 2:27

Nachtregister

  1. Het is verboden een inrichting als bedoeld in deze Afdeling te exploiteren, zonder een nachtregister bij te houden als bedoeld in artikel 438 Wetboek van Strafrecht. Dit verbod geldt eveneens voor de exploitant of beheerder van, dan wel anderszins rechthebbende op een recreatiepark dat gelegenheid geeft tot nachtverblijf.

  2. De registratie dient plaats te vinden op een door de burgemeester voorgeschreven wijze.

Artikel 2:28

Verschaffing gegevens nachtregister

  1. naam;

  2. woonplaats;

  3. dag van aankomst, en;

  4. de dag van vertrek.

van alle personen die verblijven.

  1. Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van een inrichting volledig en naar waarheid de volgende gegevens te verstrekken:

Artikel 2:28a

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. arbeidsmigranten: personen die hun vaste woon-, of verblijfplaats in een ander Europees land dan Nederland hebben en op grond van een EU-paspoort of tewerkstellingsvergunning legaal in Nederland werkzaam zijn;

  2. beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een huisvestingsvoorziening;

  3. exploitant: de natuurlijke persoon of personen, dan wel rechtspersoon of rechtspersonen die een huisvestingsvoorziening exploiteert;

  4. huisvestingsvoorziening: voor (tijdelijke) bewoning van arbeidsmigranten geschikt gemaakte (respectievelijk te gebruiken) woningen of gebouwen, delen daarvan, en al of niet tijdelijk.

Artikel 2:28b

Exploitatievergunning huisvestingsvoorziening arbeidsmigranten

  1. Het is verboden om zonder vergunning van het college een huisvestingsvoorziening te exploiteren.

  2. De aanvraag wordt gesteld op een door het college vastgesteld (elektronisch) formulier zie bijlage.

  3. In de aanvraag om vergunning wordt in ieder geval vermeld:

    1. de persoonsgegevens en contactgegevens van de exploitant en van de beheerder;

    2. het adres van de huisvestingvoorziening;

    3. het aantal personen dat in de huisvestingvoorziening verblijf wordt verschaft;

    4. de periode waarin in de inrichting aan de personen verblijf wordt verschaft;

    5. de totale woonoppervlakte die in de huisvestingvoorziening voor verblijf beschikbaar is;

    6. het aantal beschikbare parkeerplaatsen.

  4. Een vergunning zoals bedoeld in het eerste lid wordt per huisvestingsvoorziening aangevraagd door een ondernemer ten behoeve van de huisvesting van voor zijn onderneming werkzame arbeidsmigranten of door een ABU (Algemene Branchevereniging voor Uitzendondernemingen) of VIA (Vereniging van Internationale Arbeidsbemiddelaars) gecertificeerd uitzendbureau of door een eigenaar van een huisvestingsvoorziening.

  5. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:28c

Weigeringsgronden

De exploitant en de beheerder:

  1. staan niet onder curatele;

  2. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag, zulks ter beoordeling van het college;

  3. hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.

Artikel 2:28d

Weigeringsgronden

  1. Een aanvraag om vergunning zoals bedoeld in artikel 2:28b wordt geweigerd als:

    1. De exploitant of beheerder niet voldoet aan de in artikel 2:28c gestelde eisen;

    2. de vestiging of de exploitatie van de huisvestingsvoorziening in strijd is met het omgevingsplan.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 en artikel 1:8 kan de vergunning als bedoeld in artikel 2:28b worden ingetrokken of geweigerd in het belang van:

    1. het voorkomen of beperken van overlast;

    2. het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat;

    3. de veiligheid van personen of goederen;

    4. de verkeersveiligheid;

    5. de gezondheid of zedelijkheid.

Artikel 2:28e

Vergunningvoorschriften

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:28d, tweede lid, kan het college aan de vergunning voorschriften verbinden met betrekking tot onder andere:

    1. het maximum aantal arbeidsmigranten;

    2. de verblijfsduur van de arbeidsmigranten.

Artikel 2:28f

Vergunningsduur

Het college kan een vergunning als bedoeld in artikel 2:28b voor één jaar of meerdere jaren verlenen.

Artikel 2:28g

Nachtregister

De artikelen 2:27 en 2:28 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2:28h

Afbakening

Deze afdeling is niet van toepassing in gevallen waarin wordt voorzien bij of krachtens het Besluit bouwwerken leefomgeving, het omgevingsplan of de Huisvestingswet.

Artikel 2:29

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. kamerverhuurbedrijf: een gebouw of deel van een gebouw, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was drie of meer kamers, niet vallende onder het begrip logiesgebouw en/of logiesverblijf als bedoeld in Bijlage 1, onderdeel B, bij artikel 1.1 van het Besluit Bouwwerken Bijlage Leefomgeving, worden verhuurd, welke kamers als hoofdverblijf apart zijn of kunnen worden bewoond door niet in het verband van een huishouden levende personen;

  2. huishouden: een alleenstaande, dan wel twee of meer personen die een gemeenschappelijke huishouding voeren.

Artikel 2:29a

Exploitatievergunning kamerverhuurbedrijf

  1. Het is verboden een kamerverhuurbedrijf te exploiteren zonder vergunning van het college.

  2. De aanvraag wordt gesteld op een door het college vastgesteld (elektronisch) formulier zie bijlage.

  3. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de vergunningaanvraag.

  4. Het college weigert de vergunning:

    1. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van het kamerverhuurbedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed;

    2. indien de exploitatie van een kamerverhuurbedrijf in strijd is met het omgevingsplan.

  5. Bij de toepassing van de in het vierde lid onder a genoemd belang houdt het college rekening met het karakter en de wijk, waarin het kamerverhuurbedrijf is gelegen of zal zijn gelegen en de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie

  6. Geen vergunning is vereist voor woonruimtes die deel uitmaken van een seniorencomplex, herstelinrichtingen en verzorgingstehuizen of daarmee naar hun aard vergelijk te stellen woonvormen, zolang deze worden verhuurd overeenkomstig de specifieke functies van de in dit lid bedoelde woonvormen.

  7. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:29b

Intrekken van de vergunning

Aanvullend op het bepaalde in artikel 1:6 kan het college de vergunning intrekken als de woon- en leefsituatie in de omgeving van het kamerverhuurbedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

Artikel 2:30

Definities

  1. In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.

  2. In de afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de Kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet.

Artikel 2:30a

Speelgelegenheden

  1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te laten exploiteren.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de Kansspelen.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als:

    1. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of

    2. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan.

  4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:30b

Kansspelautomaten

  1. In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal 2 kansspelautomaten toegestaan.

  2. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

Artikel 2:31

Betreden gesloten woning of lokaal

  1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

  2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

  3. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen van wie aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.

Artikel 2:32

Plakken en kladden

  1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te beschadigen waaronder te bekrassen of te bekladden.

  2. Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  3. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.

Artikel 2:33

Vervoer inbrekerswerktuigen

  1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

  2. Het verbod is niet van toepassing als de inbrekerswerktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

Artikel 2:34

Vervoer geprepareerde voorwerpen

  1. Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels een voorwerp te vervoeren of bij zich te hebben dat kennelijk is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen.

Artikel 2:35

Rijden over bermen en dergelijke

  1. Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist.

  2. Dit verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.

Artikel 2:36

Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

  1. Het is verboden op een openbare plaats:

    1. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekwerk, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

    2. zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:37

Verboden drankgebruik

  1. Het is voor personen verboden op de volgende openbare plaatsen alcoholhoudende drank bij zich te hebben:

    1. binnen het openbaar gebied in de omgeving van Kloosterhof zoals aangegeven op de bijgevoegde situatietekening. Zie bijlage;

    2. binnen andere door het college aangewezen gebieden.

  2. Het is verboden op een openbare plaats alcoholhoudende drank te nuttigen indien dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of anderszins overlast veroorzaken.

  3. Het verbod genoemd in het eerste lid is niet van toepassing op:

    1. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;

    2. een andere plaats dan een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.

Artikel 2:38

Verboden gedrag bij of in gebouwen

  1. Het is verboden zonder redelijk doel:

    1. in een portiek of poort op te houden;

    2. op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.

  2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning dan wel van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.

Artikel 2:38a

Gedragsaanwijzing

  1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

  2. Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester kan beleidsregels vaststellen over het gebruik van deze bevoegdheid.

  3. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke:

    1. geluid- of geurhinder;

    2. hinder van dieren;

    3. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;

    4. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;

    5. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.

Artikel 2:39

Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten

Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of

op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.

Artikel 2:40

Neerzetten van fietsen of bromfietsen

Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan

tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een

portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van een gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang wordt versperd of de verkeersveiligheid in gedrang komt.

Artikel 2:41

Bespieden van personen

  1. Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindt, te bespieden.

  2. Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een persoon die zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindt, te bespieden.

Artikel 2:42

Verblijven honden en loslopende honden

  1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

    1. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak ofspeelweide, sportvelden en schoolterreinen, begraafplaats of op een andere door het college aangewezen plaats;

    2. binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd;

    3. buiten de bebouwde kom zonder dat die hond is aangelijnd:

      • op de locaties Beegderheide, Heelderpeel zoals aangegeven op bijgevoegde situatietekening.

        Zie bijlage;

      • op de locatie Leerkeven zoals aangegeven op bijgevoegde situatietekening. Zie bijlage;

      • op een door het college aangewezen plaats.

    4. buiten de bebouwde kom zonder toezicht en zonder begeleiding;

    5. op de weg als de hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

  2. Onder het genoemde in het eerste lid, aanhef en onder b vallen in ieder geval de locaties:

    • het Breerpark te Maasbracht, en;

    • het park gelegen aan de Parklaan/Julianalaan te Maasbracht.

  3. Het eerste lid, aanhef en onder b is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  4. Het eerste lid, aanhef onder b en c zijn niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die:

    1. zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of

    2. deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

Artikel 2:43

Verontreiniging door honden

  1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht spullen (bijvoorbeeld een schepje of plastic zakje) bij zich te hebben waarmee hondenpoep opgeruimd kan worden en te zorgen dat de uitwerpselen van de hond onmiddellijk worden verwijderd. De uitwerpselen moeten in een daarvoor bestemde voorziening worden gedeponeerd, zoals bijvoorbeeld de gemeentelijke afvalbakken of een duobak in eigen beheer.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.

  3. De opruimplicht geldt niet:

    1. op de volgende locaties die als uitlaatplaatsen en losloopgebieden ter plaatse zijn aangeduid:

      Uitlaatplaatsen:

      • kern Beegden, ter hoogte van de Gaardweg;

      • kern Heel, ter hoogte van het Sleydal;

      • kern Linne, ter hoogte van de onderste Boord en Oeveren;

      • kern Maasbracht, ter hoogte van de Haverkamp, de Sint Joosterweg en de Kanaalweg;

      • kern Ohé en Laak, ter hoogte van de Bosstraat en de Moeder Magdalenastraat en de Contelmostraat;

      • kern Stevensweert, ter hoogte van de Maasdijk en het eiland;

      • kern Thorn, ter hoogte van de Panheeldersteeg en het Lindepad;

      • kern Wessem, ter hoogte van de oude Thornerweg.

    2. Losloopgebieden

      • kern Beegden, ter hoogte van de Oosderweg en de Eerdweg;

      • kern Linne, ter hoogte van de Akkerweg;

      • kern Maasbracht, ter hoogte van de Broekstraat en de Trambaan;

      • kern Ohé en Laak, ter hoogte van de weg over de Dijk;

      • kern Stevensweert, ter hoogte van de weg langs de Grinderkens;

      • en kern Wessem, ter hoogte van de Polstraat.

    3. in de overige openbare ruimten buiten de bebouwde kom.

  4. Het college kan buiten de bebouwde kom gebieden en locaties aanwijzen waar wel een opruimplicht geldt.

Artikel 2:44

Gevaarlijke honden

  1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van die hond een aanlijn- en/of muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

  2. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd is verplicht de hond kort aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.

  3. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn en muilkorfgebod is opgelegd is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

    1. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

    2. door middel van een stevige leren riem zo rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en

    3. zo is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

  4. Onverminderd artikel 2:42, eerste lid, aanhef onder e dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

Artikel 2:44a

Gevaarlijke honden op eigen terrein

  1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:35, eerste lid, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk.

  2. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als:

    1. op een vanaf de weg zichtbare plaats naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht;

    2. het mogelijk is een brievenbus te bereiken; en

    3. het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.

Artikel 2:45

Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren

  1. Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen, ter voorkoming of beëindiging van overlast of schade aan de openbare gezondheid, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:

    1. aanwezig te hebben;

    2. aanwezig te hebben in strijd met de door het college gestelde nadere regels; en/of

    3. te voeren.

  2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van één of meer verboden bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2:46

Loslopend vee

De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens (vee), die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat maatregelen worden getroffen zodat dit vee die weg niet kan bereiken.

Artikel 2:47

Bijen

  1. Het is verboden bijen te houden binnen een afstand van 30 meter van:

    1. woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven; en/of

    2. van de weg.

  2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing als op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een legale afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.

  3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid.

  4. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening

  5. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:48

Bedelarij

Het is verboden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken in het door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast aangewezen gebieden.

Artikel 2:48a

Overnachten in de buitenlucht bij extreme koude weersomstandigheden

Het is verboden zich bij een gevoelstemperatuur van – 10C of kouder tussen 21:00 uur en 07:00 uur op te houden in de buitenlucht met het kennelijke doel een aanzienlijk deel van de nacht in de buitenlucht door te brengen.

Artikel 2:48b

Slaapverblijf op de openbare plaats

Het is verboden op een openbare plaats, al dan niet in een motorvoertuig, te slapen, dan wel op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent, caravan of een soortgelijk of ander onderkomen te plaatsen met het kennelijke doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te slapen dan wel gelegenheid daartoe te bieden

Artikel 2:49

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: een handelaar als bedoeld in artikel 1 van de

Algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van

Strafrecht.

Artikel 2:50

Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

  1. De handelaar is verplicht in het Digitaal Opkopersregister (DOR) aantekening te houden van alle gebruikte en ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt.

  2. In het verkoopregister vermeldt de handelaar onverwijld:

    1. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

    2. de datum van verkoop of overdracht van het goed;

    3. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen – voor zover mogelijk - soort, merk en nummer van het goed;

    4. een duidelijke kleurenfoto van een goed dat geen of een onleesbaar uniek serienummer, of een ander herleidbaar uniek kenmerk bezit;

    5. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en

    6. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

    7. Zowel een omschrijving als het nummer van het document, als bedoeld in het eerste lid van de Wet op de identificatieplicht, waarmee hij de identiteit van de aanbieder heeft vastgesteld.

  3. Onder een handelaar als bedoeld in het eerste lid valt in ieder geval een:

    1. goud en edelsmid;

    2. diamantair;

    3. koperhandelaar.

  4. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van de verplichtingen genoemd in het eerste lid.

  5. Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:51

Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

  1. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk of digitaal in kennis te stellen.

    1. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;

    2. van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde adressen;

    3. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; en

    4. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan.

  2. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;

  3. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;

  4. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Artikel 2:52

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.

Artikel 2:53

Ter beschikking stellen consumentenvuurwerk tijdens verkoopdagen

  1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen of voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college.

  2. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:54

Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

  1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.

  2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast veroorzaakt of kan veroorzaken.

  3. De verboden bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:54a

Carbidschieten, het vervoeren of bij zich hebben van carbid of soortgelijke stoffen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. carbidschieten: het in een bus op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen;

  2. bus: een deugdelijke bus, container, opslagvat of ander daarmee gelijk te stellen voorwerp;

  3. vereniging: een rechtspersoon zoals omschreven in artikel 26 Burgerlijk Wetboek Boek 2

Artikel 2:54b

(carbidschieten)

  1. Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water, of een gasmengsel met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden.

  2. Het is verboden op een openbare plaats carbid of soortgelijke stoffen te vervoeren of bij zich te hebben, waarvan gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder deze worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze zullen worden gebruikt in strijd met het bepaalde in het eerste lid.

  3. Het verbod in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op degenen aan wie carbid is afgeleverd gedurende de tijd die nodig is om thuis te komen, noch op degene die aannemelijk maakt dat hij het carbid nodig heeft in de uitoefening van beroep of bedrijf.

  4. Van het verbod in het eerste en tweede lid kan door het college, dan wel de burgemeester (ieder voor zover bevoegd) ontheffing worden verleend voor:

    1. Oudejaarsdag (31 december) van 10:00 tot 18:00 uur, aan eenieder;

    2. overige dagen, aan een vereniging.

  5. Het verbod in het eerste en tweede lid geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van strafrecht.

  6. Op de aanvraag om ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:55

Drugshandel op straat

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Artikel 2:55a

Openlijk drugsgebruik

Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingshandelingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

Artikel 2:55c

Messen en andere voorwerpen als steekwapen

  1. Het is verboden op door de burgemeester aangewezen openbare plaatsen of in daaraan grenzende voor het publiek openstaande gebouwen of op bij die gebouwen behorende erven messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben.

  2. Het verbod geldt niet voor messen of voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik gereed zijn.

  3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover het wapens betreft als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie.

Artikel 2:56

Bestuurlijke ophouding

De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet te besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen

plaats als deze personen het bepaalde in artikel 2:1, 2:36, 2:37, 2:38, 2:39, 2:54, 2:55, 5:49 of 5:50 van de Apv groepsgewijs niet naleven.

Artikel 2:57

Veiligheidsrisicogebieden

De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de

openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan

daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen

en daarbij behorende erven, aan te wijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel 2:58

Cameratoezicht op openbare plaatsen

  1. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

  2. De burgemeester heeft die bevoegdheid eveneens ten aanzien van de volgende plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn:

    1. openbare plantsoenen;

    2. speelplekken;

    3. openbare weg; en

    4. parkeerplaatsen.

Artikel 2:59

Sluiting voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat besluiten tot de gehele of gedeeltelijke sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 2:17 eerste lid, of artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

  3. De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf.

  4. Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.

  5. Het is verboden een gesloten gebouw of erf te bezoeken, als bezoeker daarin of daarop te verblijven of een bezoeker daarin of daarop te laten verblijven zonder toestemming van de burgemeester.

  6. De burgemeester kan een sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

Artikel 3:1

Bevoegd bestuursorgaan

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college van burgemeester en wethouders of, voorzover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.

Artikel 3:2

Nadere regels

Met het oog op de in artikel 3:5 genoemde belangen kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels stellen.

Artikel 3:3

vergunning en de aanvraag

  1. Het is verboden een seksbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan of in afwijking daarvan.

  2. In de aanvraag om vergunning wordt gebruik gemaakt van het door het bevoegde bestuursorgaan vastgestelde formulier.

  3. Bij de aanvraag wordt vermeld voor welke activiteit vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

    1. de persoonsgegevens van de exploitant;

    2. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

    3. of in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag de exploitant een vergunning voor een seksbedrijf is geweigerd of een aan de exploitant verleende vergunning voor een seksbedrijf is ingetrokken;

    4. het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;

    5. het adres van een onder het seksbedrijf vallende seksinrichting;

    6. het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;

    7. een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van de exploitant;

    8. voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant;

    9. een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen, verstrekt door de Belastingdienst;

    10. bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimtes bestemd voor de uitoefening van het seksbedrijf;

    11. voor zover van toepassing, de plaatselijke ligging van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een situatieschets met een noordpijl en schaalaanduiding;

    12. voor zover van toepassing, de plattegrond van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een tekening met een schaalaanduiding.

  4. als er een beheerder is aangesteld is het derde lid, onder a tot en met c, g en h, van overeenkomstige toepassing op de beheerder.

  5. het bevoegde bestuursorgaan kan aanvullende gegevens of bescheiden verlangen.

  6. op een aanvraag om een vergunning wordt in afwijking van 1:2 binnen twaalf weken beslist. Deze termijn kan met ten hoogste twaalf weken worden verlengd.

  7. een vergunning kan mede voor een seksinrichting worden verleend.

  8. de vergunning wordt verleend aan de exploitant. De vergunning is zowel persoons- als ook zaaksgebonden en kan niet worden overgedragen.

  9. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 3:4

Gedragseisen exploitant en beheerder

  1. De exploitant en de beheerder:

    1. staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij;

    2. zijn niet onherroepelijk veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag; en

    3. hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.

Artikel 3:5

Weigeringsgronden

  1. Een vergunning wordt geweigerd als:

    1. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:4 gestelde eisen;

    2. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

    3. de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf in strijd is met het omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan, of;

    4. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften;

    5. er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000;

    6. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden;

    7. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:

      1. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening;

      2. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht;

      3. artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

      4. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994;

      5. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of

      6. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.

  2. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder f en g, wordt gelijkgesteld:

    1. een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf;

    2. betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of een onherroepelijk geworden strafbeschikking als bedoeld in artikel 76, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom of geldboete minder dan € 375 bedraagt.

  3. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder f en g, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.

  4. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder f en g, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.

  5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning in ieder geval worden geweigerd:

    1. voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:7, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met g, of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking;

    2. als niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3:3 gestelde eis met betrekking tot de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen;

    3. als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend;

    4. als de openbare orde, de woon- en leefomgeving, de verkeersvrijheid- of veiligheid of de veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd;

    5. als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3:13, eerste en tweede lid;

    6. als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:14 gestelde verplichtingen zal naleven.

Artikel 3:6

Eisen met betrekking tot vergunning

  1. De vergunning vermeldt in ieder geval:

    1. de naam van de exploitant;

    2. voor zover van toepassing, die van de beheerder;

    3. voor welke activiteit de vergunning is verleend;

    4. het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;

    5. het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;

    6. voor zover van toepassing, het adres van de onder dat seksbedrijf vallende seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend;

    7. de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden;

    8. voor zover van toepassing, de geldigheidsduur van de vergunning;

    9. het nummer van de vergunning.

  2. De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend, en tevens dat aan de buitenzijde van de seksinrichting zichtbaar is dat hij over een vergunning voor die seksinrichting beschikt.

Artikel 3:7

Intrekkingsgronden

  1. De vergunning wordt ingetrokken als:

    1. de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest;

    2. de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven;

    3. is gehandeld in strijd met de artikelen 3:8, 3:11, aanhef en onder a, 3:12, tweede lid, 3:13 en 3:14, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1°;

    4. zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid;

    5. zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:5, eerste lid, onder a tot en met g;

    6. de vergunninghouder dat verzoekt;

    7. de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met het omgevingsplan.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de vergunning worden geschorst of ingetrokken als:

    1. is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen;

    2. in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning;

    3. een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of beheerder is geworden;

    4. is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen, onverminderd het eerste lid, aanhef en onder c;

    5. is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen;

    6. zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woon- en leefomgeving of de gezondheid van prostituees of klanten;

    7. de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt;

    8. er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel;

    9. gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning.

Artikel 3:8

Melding gewijzigde omstandigheden

  1. De vergunninghouder meldt elke verandering waardoor zijn seksbedrijf niet langer in overeenstemming is met de op grond van artikel 3:8, eerste lid, in de vergunning opgenomen gegevens, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen één week, aan het bevoegde bestuursorgaan.

  2. Het bevoegde bestuursorgaan verleent een gewijzigde vergunning, als het seksbedrijf aan de vereisten voldoet.

Artikel 3:9

Beëindiging exploitatie

  1. De vergunning vervalt zodra de exploitant die overeenkomstig artikel 3:3 op de vergunning is vermeld, de exploitatie van het seksbedrijf feitelijk heeft beëindigd.

  2. Binnen één week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, meldt de exploitant dit schriftelijk aan het bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 3:10

Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke

  1. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen:

    1. als het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt;

    2. anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels.

  2. Het verbod bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

Artikel 3.10

Sluitingstijden seksinrichtingen; aanwezigheid; toegang

  1. Het is de exploitant en de beheerder verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 04.00 en 14.00 uur, tenzij bij vergunning anders is bepaald.

  2. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens deze Afdeling gesloten dient te zijn.

  3. Het is de exploitant en de beheerder verboden personen die nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt toe te laten of te laten verblijven in een seksinrichting;

Artikel 3:11

Adverteren

Het is verboden in advertenties voor een seksbedrijf:

  1. geen vermelding op te nemen van het telefoonnummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder e, van het nummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder i, en van de bedrijfsnaam;

  2. vermelding op te nemen van een ander telefoonnummer dan bedoeld onder a; en

  3. als het een prostitutiebedrijf betreft, onveilige seks aan te bieden of te garanderen dat prostituees die voor of bij het betreffende bedrijf werken vrij zijn van seksueel overdraagbare aandoeningen.

Artikel 3:12

leeftijd en verblijftitel prostituees (verbod werken voor onvergund prostitutiebedrijf)

  1. Prostitutie vindt uitsluitend plaats door een prostituee die de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt.

  2. Het is een exploitant verboden een prostituee voor of bij zich te laten werken die:

    1. nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt;

    2. in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000.

  3. Het is een prostituee verboden:

    1. te handelen in strijd met het eerste lid;

    2. werkzaam te zijn voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een prostitutiebedrijf is verleend

Artikel 3:13

Bedrijfsplan

  1. Een prostitutiebedrijf beschikt over een bedrijfsplan, waarin in ieder geval wordt beschreven welke maatregelen de exploitant treft:

    1. op het gebied van hygiëne;

    2. ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het zelfbeschikkingsrecht van de prostituees;

    3. ter bescherming van de gezondheid van de klanten;

    4. ter voorkoming van strafbare feiten.

  2. De door de exploitant te treffen maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, waarborgen dat:

    1. de hygiëne in een seksinrichting voldoet aan de algemene eisen die hiervoor in de branche gelden en dat dit controleerbaar is;

    2. inzichtelijk en controleerbaar is welke maatregelen een exploitant in zijn bedrijfsvoering en inrichting van de werkruimten treft voor gezonde en veilige werkomstandigheden voor prostituees;

    3. in de werkruimten te allen tijde voldoende condooms met een CE-markering voor gebruik beschikbaar zijn;

    4. in de werkruimten voor de prostituees een goed functionerende alarmvoorziening aanwezig is;

    5. de prostituee zich regelmatig kan laten onderzoeken op seksueel overdraagbare aandoeningen en door de exploitant voldoende geïnformeerd is over de mogelijkheden van een dergelijk onderzoek;

    6. de prostituee niet gedwongen wordt zich geneeskundig te laten onderzoeken;

    7. de prostituee vrij is in de keuze van de arts(en) die zij wil bezoeken;

    8. de prostituee klanten en diensten kan weigeren zonder dat dat voor haar andere werkzaamheden gevolgen heeft;

    9. de prostituee kan weigeren alcohol of drugs te gebruiken zonder dat dat voor haar werkzaamheden gevolgen heeft;

    10. aan de voor de exploitant werkzame beheerder voldoende professionele eisen op het gebied van agressiebeheersing en bedrijfshulpverlening worden gesteld en waar nodig wordt gezorgd voor scholing hierin;

    11. de exploitant zich een oordeel vormt over de mate van zelfredzaamheid van de prostituee voordat deze voor of bij hem gaat werken, teneinde vast te stellen of zij voldoet aan de eisen die hij hiervoor in zijn bedrijfsplan heeft opgenomen;

    12. de exploitant voor elke voor of bij hem werkzame prostituee kan aantonen onder welke verhuur- of arbeidsvoorwaarden zij haar diensten aanbiedt;

    13. de exploitant of beheerder zich er regelmatig van vergewist dat de prostituee niet door derden gedwongen wordt tot prostitutie en dat hij in dit kader informatie van hulpverleningsinstanties ter beschikking stelt;

    14. de exploitant aan de voor of bij hem werkzame prostituees informatie ter beschikking stelt over de mogelijkheden om hulp te krijgen als een prostituee wil stoppen met haar werk in de prostitutie;

    15. de overlast aan de omgeving van de onder het seksbedrijf vallende seksinrichtingen beperkt wordt.

  3. Het bedrijfsplan wordt overgelegd bij de aanvraag om een vergunning.

  4. De exploitant meldt een voorgenomen wijziging van het bedrijfsplan onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan. De wijziging wordt na goedkeuring van het bevoegde bestuursorgaan als onderdeel van het bedrijfsplan aangemerkt, als deze voldoet aan de eisen die overeenkomstig het eerste en tweede lid aan een bedrijfsplan worden gesteld.

  5. De rechten voor prostituees, die worden gewaarborgd op grond van het tweede lid, worden op schrift gesteld en in een voor haar begrijpelijke taal uitgereikt aan elke prostituee die werkzaam is voor of bij de exploitant.

  6. In de seksinrichting wordt in ten minste twee talen en voor de klant goed zichtbaar bekend gemaakt dat een prostituee klanten en diensten mag weigeren en mag weigeren alcohol of drugs te gebruiken.

  7. voor bestaande prostitutiebedrijven geldt een overgangstermijn voor het beschikken over een bedrijfsplan. Bestaande prostitutiebedrijven dienen uiterlijk binnen zes maanden na inwerkingtreding van dit artikel over een bedrijfsplan, als bedoeld in dit artikel, te beschikken.

Artikel 3:14

Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder prostitutiebedrijf

  1. De exploitant of de beheerder is aanwezig gedurende de uren dat het prostitutiebedrijf daadwerkelijk wordt uitgeoefend.

  2. De exploitant van een prostitutiebedrijf draagt er zorg voor dat:

    1. de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees redelijkerwijs hun eigen werktijden kunnen bepalen;

    2. er een deugdelijke bedrijfsadministratie wordt gevoerd waarin de actuele gegevens zijn opgenomen van in ieder geval;

      1. de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees;

      2. de verhuuradministratie;

      3. met betrekking tot alle voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees, de documentatie die ten grondslag ligt aan de vorming van het oordeel over de mate van zelfredzaamheid, bedoeld in artikel 3:13, tweede lid, onder k;

      4. de werkroosters van de beheerders;

    3. de bedrijfsadministratie met inachtneming van de wettelijke termijnen wordt bewaard en te allen tijde beschikbaar is voor toezichthouders;

    4. medewerkers van de gemeentelijke gezondheidsdienst en van andere door de burgemeester of het college aangewezen instellingen worden toegelaten tot seksinrichtingen als ze voornemens zijn voorlichtings- en preventieactiviteiten uit te voeren of voorlichtingsmateriaal te verspreiden;

    5. onverwijld bij de politie wordt gemeld ieder signaal van mensenhandel of andere vormen van dwang en uitbuiting;

    6. onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan wordt gemeld als gedurende ten minste één maand geen gebruik gemaakt zal worden van de vergunning. Deze melding vermeldt de reden en de verwachte duur;

    7. gedaan wordt wat nodig is voor een goede gang van zaken binnen het prostitutiebedrijf.

Artikel 3:15

Straatprostitutie

  1. Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere vanaf de weg zichtbare plaats, niet zijnde een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend, zich op te houden met het kennelijke doel prostitutie of het verrichten van seksuele handelingen in het kader van prostitutie.

Artikel 3:16

Handhaving straatprostitutie

  1. Met het oog op de naleving van het verbod, bedoeld in artikel 3:15, eerste lid, kan door een politieambtenaar of toezichthouder het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

Artikel 3:17

Verbodsbepaling klanten

  1. Het is een klant verboden seksuele handelingen te verrichten met een prostituee van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat zij werkzaam is voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een prostitutiebedrijf is verleend.

  2. Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere voor publiek toegankelijke plaats gebruik te maken van de diensten van een prostituee.

  3. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, geldt niet in een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend.

Artikel 4:1

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

  2. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

  3. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

  4. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

  5. gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  6. gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  7. inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  8. onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

Artikel 4.2

Aanwijzing collectieve festiviteiten

  1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:4 gelden niet voor de volgende collectieve festiviteiten gedurende de volgende dagen of dagdelen:

    1. carnaval vanaf carnavalszaterdag 16:00 uur tot carnavals dinsdag 24:00 uur;

    2. Koningsnacht en Koningsdag vanaf 26 april 20.00 uur tot 27 april 02.00 uur en van 09.00 uur tot 24.00 uur;

    3. oudejaarsavond vanaf 31 december 20.00 uur tot 1 januari 02.00 uur;

    4. kermis Beegden vanaf kermiszaterdag 16.00 uur tot kermisdinsdag 02.00 uur voor de kern Beegden;

    5. kermis Heel vanaf kermiszaterdag 16.00 uur tot kermisdinsdag 02.00 uur voor de kernen Heel en Panheel;

    6. kermis Wessem vanaf kermiszaterdag 16.00 uur tot kermisdinsdag 02.00 uur voor de kern Wessem;

    7. kermis Thorn vanaf kermiszaterdag 16.00 uur tot kermisdinsdag 02.00 uur voor de kern Thorn;

    8. kermis Stevensweert vanaf kermiszaterdag 16.00 uur tot kermisdinsdag 02.00 uur voor de kern Stevensweert;

    9. kermis Ohé en Laak vanaf kermiszaterdag 16.00 uur tot kermisdinsdag 02.00 uur voor de kern Ohé en Laak;

    10. kermis Maasbracht vanaf kermiszaterdag 14.00 uur tot kermisdinsdag 02.00 uur voor de kern Maasbracht/Brachterbeek;

    11. kermis Linne vanaf kermiszaterdag 16.00 uur tot kermisdinsdag 02.00 uur en voor het alternatief evenement winterkermis Linne van zaterdag 20.00 uur tot zondag 02.00 uur voor de kern Linne;

  2. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit onmiddellijk als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

  3. Op de dagen bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 uiterlijk een half uur voor sluitingstijd beëindigd, met uitzondering van inrichtingen waar op de aangewezen dagen een ruimere sluitingstijd geldt. In die gevallen dient het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de genoemde geluidsnormen om 02:00 uur te worden beëindigd.

  4. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behalve voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

  5. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 70 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

  6. De geluidsnorm als bedoeld in het vijfde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

  7. De geluidsnorm bedoeld in het vijfde lid geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.

Artikel 4:3

Kennisgeving incidentele festiviteiten

  1. Het is een inrichting toegestaan op maximaal 6 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:4 niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting dit ten minste één week voor de aanvang van de festiviteit schriftelijk heeft gemeld bij het college.

  2. Voor het buitenpodium Thorn is het toegestaan op maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:4 niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting dit ten minste één week voor de aanvang van de festiviteit schriftelijk heeft gemeld bij het college. Voor het buitenpodium Thorn geldt tevens dat telkens wanneer binnen een periode van maximaal 10 dagen sprake is van 2 evenementen met elektronisch versterkte muziek op de eerstvolgende 11 dagen geen evenementen met elektronisch versterkte muziek zijn toegestaan.

  3. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 6 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting dit ten minste één week voor de aanvang van de festiviteit heeft gemeld bij het college

  4. Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding.

  5. De melding is gedaan als het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, op tijd is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.

  6. De melding wordt tevens geacht te zijn gedaan als het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, onmiddellijk toestaat.

  7. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 70 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

  8. De geluidswaarde als bedoeld in het zevende lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

  9. De geluidsnormen, bedoeld in het zevende lid, gelden voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.

  10. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behalve voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

  11. Op de dagen, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:4 - uiterlijk een half uur voor sluitingstijd beëindigd. Deze verplichting is niet van toepassing op inrichtingen waarvoor tijdens de incidentele festiviteit een ruimere sluitingstijd geldt. In die gevallen moet het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de genoemde geluidsnormen, om 02:00 uur worden beëindigd.

  12. Het college kan nadere regels en voorschriften vaststellen voor een incidentele festiviteit.

Artikel 4:4

Onversterkte muziek

  1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder f en vijfde lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer, binnen inrichtingen is de in het tweede lid, opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat:

    1. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of laten uitvoeren van geluidsmetingen;

    2. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein;

    3. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, als het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimte als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder zoals die wet en dat besluit luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

    4. bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast.

  2. Tabel

  3. Het eerste en het tweede lid is bij het buitenpodium Thorn toegestaan op maximaal 14 dagen of dagdelen per kalenderjaar. Als geen gebruik wordt gemaakt van het aantal maximale incidentele dagen, zoals bedoeld in artikel 4:3, tweede lid, dan mag dit worden aangevuld met activiteiten van onversterkte muziek zoals bedoeld in dit artikel. Het totaal van deze dagen of dagdelen mag echter niet meer bedragen dan 26.

  4. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is dit artikel niet van toepassing.

  5. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 4:2 of artikel 4:3.

Artikel 4:5

Overige geluidhinder

  1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten of na te laten zodat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 4:6

(Geluid)hinder door dieren

Degene die buiten een inrichting de zorg heeft voor een dier, voorkomt dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt.

Artikel 4:7

Natuurlijke behoefte doen

Het is voor personen verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn of haar natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel 4:8

Toestand van sloten, andere wateren, niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten, andere wateren, niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet

bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of

hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Artikel 4:8a

Verbod oplaten ballonnen

  1. Onder ballon wordt verstaan: elke onbemande, al dan niet bolvormige ballon, van welk materiaal dan ook die door middel van helium, open vuur of andere gassen in de lucht wordt gebracht, waarbij de richting en/of hoogte van de ballon niet door menselijk ingrijpen, kan worden bepaald.

  2. Het is verboden één of meerdere ballonnen op te laten stijgen.

  3. Het verbod in dit artikel geldt niet voor zover de regels bij of krachtens de Wet luchtvaart van toepassing zijn.

Artikel 4:9

Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke.

  1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht en buiten de weg gelegen in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast dan wel het voorkomen van schade aan de openbare gezondheid, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

    1. op een door het college aangewezen plaats:

      • onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

      • bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

      • kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:12 of onderdelen daarvan, als het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur dan wel anderszins voor een commercieel doel;

      • mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen, en oude metalen.

    2. landbouwplastic op alle percelen, zowel binnen als buiten de bebouwde kom.

  2. Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, nadere regels stellen.

  3. Het college stelt in nadere regels vast in welke gevallen het verbod in het eerste lid, onderdeel b niet van toepassing is zie bijlage.

  4. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 4:10

Reclameverbod en nadere regels

  1. Het is verboden reclame te maken.

  2. Het college stelt in nadere regels vast in welke gevallen het verbod in het eerste lid van dit artikel niet van toepassing is zie bijlage en bijlage tekeningen.

  3. Het verbod is eveneens niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging.

Artikel 4:12

Definities

In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Artikel 4:13

Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

  1. Het is verboden kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden die gebruikt kunnen worden ten behoeve van recreatief nachtverblijf:

    1. in openbare natuurgebieden, bossen, parken of andere voor publiek toegankelijke groengebieden;

    2. op openbare plaatsen of terreinen, indien dit leidt tot:

      • hinder;

      • verstoring van de openbare orde;

      • verstoring van het uiterlijk aanzien van de gemeente;

      • verstoring van de rust; of

      • schade aan natuur of milieu.

  2. Het verbod geldt niet voor:

    1. gebieden of kampeerterreinen die zo in het omgevingsplan zijn bestemd of mede bestemd;

    2. het plaatsen van een schuilmiddel ten behoeve van het nachtvissen, mits het schuilmiddel voldoet aan de volgende voorwaarden:

      • de maximale afmetingen van het schuilmiddel zijn 3.20 meter lang, 3.10 meter breed en 1.80 meter hoog;

      • het schuilmiddel moet aan de voorkant geheel open zijn;

      • het schuilmiddel moet uitgevoerd zijn in een neutrale, bruine, groene of camouflagekleur;

    3. het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van:

    1. natuur en landschap; of

    2. een stads- en dorpsgezicht.

Artikel 4:14

Aanwijzing kampeerplaatsen

  1. Artikel 4:13, eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  2. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 4:13, vijfde lid.

Artikel 4:15

Bescherming paddenstoelen

  1. Het college is bevoegd plaatsen aan te wijzen waar het, ter bescherming van het natuur-, landschap- of dorpsschoon, verboden is paddenstoelen te plukken of bij zich te hebben.

  2. Het is verboden op een door het college krachtens het eerste lid aangewezen plaats paddenstoelen te plukken of bij zich te hebben.

  3. Het verbod geldt niet:

    1. ten aanzien van door of met toestemming van de rechthebbende ter plaatse verkregen dan wel elders afkomstige paddenstoelen;

    2. als de in dit artikel bedoelde handelingen worden verricht in het kader van normale onderhoudswerkzaamheden.

  4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.

Artikel 5:2

Voertuigen van autobedrijf en dergelijke

  1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan het gebruik van een voertuig:

    1. voor het geven van lessen, of;

    2. vervoeren van personen tegen betaling.

  2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:

    1. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of

    2. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.

  3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:

    1. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;

    2. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

  4. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.

  5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:3

Te koop aanbieden van voertuigen

  1. Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

  2. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.

  3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:4

Defecte voertuigen

Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken

niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Na deze periode mag, gedurende een periode van één week, niet binnen een straal van 500 meter van voornoemde plek worden geparkeerd.

Artikel 5:5

Voertuigwrakken

  1. Het is verboden een voertuig dat rij technisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 5:6

Kampeermiddelen en andere voertuigen

  1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:

    1. langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg binnen de bebouwde kom te plaatsen of te hebben;

    2. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; of

    3. gedurende een periode langer dan drie aaneengesloten dagen te parkeren op een plaats, zichtbaar vanaf de openbare weg. Na deze periode mag, gedurende een periode van één week, niet binnen een straal van 500 meter van voornoemde plek worden geparkeerd.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid gestelde verbod.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.

  4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:7

Grote voertuigen

  1. Vanwege de schadelijke afbreuk aan het uiterlijk aanzien van de gemeente is het verboden een voertuig dat, inclusief van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, te parkeren op alle wegen of weggedeelten gelegen binnen de bebouwde kom, van de kernen Maasbracht, Brachterbeek, Linne, Stevensweert, Ohé en Laak, Heel, Beegden, Thorn, Panheel en Wessem.

  2. Van de onder het eerste lid aangewezen wegen of weggedeelten zijn de volgende wegen en weggedeelten uitgezonderd:

    1. in de kern Maasbracht:

      • Hazenspoor;

      • Haverkamp, gedeelte ten noorden van de Battenweg;

      • St. Joosterweg, Industrieterrein;

      • S. Houbenweg;

      • Brouwersstraat, gedeelte bij S. Houbenweg (niet de doorgaande weg).

    2. in de kern Linne:

      • Leppingtonweg/Oudeweg;

      • Parkeerplaats aan de Sportveldstraat.

    3. in de kern Stevensweert:

      • Parkeerplaats Sportlaan.

    4. in de kern Ohé en Laak:

      • Prior Gielenstraat, gedeeltelijk.

    5. in de kern Thorn:

      • (bus)parkeerplaats Meers;

    6. in de Kern Wessem:

      • parkeerplaats Achter de Biënberg.

  3. De uitgezonderde wegen en weggedeelten zijn aangegeven op de bij dit artikel behorende situatietekeningen (zie bijlagen).

  4. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

  5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:8

Uitzicht belemmerende voertuigen

  1. Het is verboden een voertuig dat, inclusief de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op die manier dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

  2. Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Artikel 5:10

Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

  1. Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van of van een gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.

  2. Dit verbod is niet van toepassing op:

    1. de weg;

    2. voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam;

    3. voertuigen, waarmee een standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

Artikel 5:11

Overlast van fietsen of bromfietsen

Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen, in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast, of het voorkomen van schade aan de openbare gezondheid, fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.

Artikel 5:12

Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving

  1. Het is verboden een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven en huis- aan huis acties te houden als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

  2. Onverminderd het bepaalde in het derde lid, stelt het college in nadere regels vast in welke gevallen het verbod niet van toepassing is zie bijlage.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

  4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:13

Definitie

  1. In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.

  2. Onder venten wordt niet verstaan:

    1. het aan huis afleveren van goederen in het kader van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;

    2. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder g, van de Gemeentewet of op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 1:1, onderdeel r;

    3. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:16.

Artikel 5:14

Ventverbod

  1. Het is verboden te venten als daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

  2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het verboden te venten op:

    1. zondagen;

    2. maandag t/m zaterdag tussen 17.00 en 09.00 uur.

  3. Het verbod bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing op het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard.

  4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het tweede lid.

  5. Op de aanvraag om ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:16

Definitie

  1. In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals bijvoorbeeld een kraam, een wagen of een tafel.

  2. Onder standplaats wordt niet verstaan een vaste plaats op een:

    1. jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;

    2. evenement als bedoeld in artikel 2:12.

Artikel 5:17

Standplaatsvergunning en weigeringsgronden

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

  2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als:

    1. de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of

    2. een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dingende reden van algemeen belang.

  4. Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de standplaatsvergunning en Weigeringsgronden zie bijlage.

  5. Op de aanvraag om ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:18

Toestemming rechthebbende

Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van

het college een standplaats wordt of is ingenomen.

Artikel 5:19

Afbakeningsbepalingen

  1. Artikel 5:17, eerste lid, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

  2. De weigeringsgrond van artikel 5:17, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.

Artikel 5:22

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. aanleggen: het afmeren en het vervolgens doen of laten liggen van een vaartuig aan of op de oever, aan de oeverbescherming, aan of op een natuurlijke of een voor dit doel aangebrachte voorziening of aan een ander vaartuig, gedurende de tijd die daadwerkelijk gebruikt wordt voor een verblijf op of in de omgeving van het vaartuig;

  2. aanlegsteiger: voorziening waaraan schepen kunnen afmeren en ligplaats kunnen nemen;

  3. afmeren: het vastmaken van een vaartuig of ander drijvend object aan een vast object, zoals een kade of oever;

  4. ankeren: het vastleggen van een vaartuig aan de bodem van het vaarwater;

  5. bedrijfsvaartuig: een vaartuig, daaronder begrepen een object te water, niet zijnde een zeeschip, binnenschip of dienstvaartuig, hoofdzakelijk gebruikt voor de uitoefening van een reëel bedrijf of beroep met dat vaartuig dan wel voor de uitoefening van sociaal-culturele activiteiten;

  6. dag: de periode tussen 00:00 uur en 24:00 uur;

  7. haven: een tot duurzame exploitatie bestemde accommodatie te land en/of te water, waar bedrijfsmatig gelegenheid wordt geboden tot het ter plaatse al of niet onder toezicht gedurende langere tijd achterlaten van een vaartuig, ongeacht of met die exploitatie al of niet winst wordt beoogd;

  8. ligplaats: een plaats in het water, al dan niet aangevuld met een op de oever aanwezig terrein of een gedeelte daarvan, dat bestemd is voor het aanleggen of innemen van een ligplaats voor bepaalde of onbepaalde tijd van een vaartuig, geschikt voor woon-, bedrijfsmatige of recreatieve doeleinden;

  9. ligplaats innemen: het afmeren en het vervolgens doen of laten liggen van een vaartuig aan of op de oever, aan de oeverbescherming, aan of op een natuurlijke of een voor dit doel aangebrachte voorziening of aan een ander vaartuig, anders dan met aanleggen wordt bedoeld;

  10. oever: overgang tussen land en het openbaar water. Onder oever is mede begrepen de oeverbescherming en de daarvan deel uitmakende beplanting;

  11. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

  12. passagiersvaartuig: een bedrijfsvaartuig, hoofdzakelijk gebruikt voor of bestemd tot:

    • vervoer van personen, of;

    • om beschikbaar te worden gesteld voor recreatief vervoer voor meerdere personen;

  13. passantenhaven: een plek met tijdelijke ligplaatsen uitsluitend bestemd voor pleziervaartuigen voor een periode van maximaal 3 x 24 uur;

  14. pleziervaartuig: een vaartuig dat is bestemd voor sportbeoefening of vrijetijdsbesteding, met een romplengte van minimaal 2,5 meter en maximaal 24 meter;

  15. rietkraag: rand van riet langs de oever;

  16. rondvaartboten/feestboten: een passagiersvaartuig, zoals gedefinieerd in onderdeel l, hoofdzakelijk gebruikt voor of bestemd tot het vervoer van personen, of om beschikbaar te worden gesteld voor recreatief vervoer voor meerdere personen;

  17. schip: elk vaartuig met inbegrip van een vaartuig zonder waterverplaatsing en een watervliegtuig, gebruikt of geschikt om te worden gebruikt als een middel van vervoer te water;

  18. surfoever: een veelal door borden of andere merktekens aangeduide plaats op de oever waar door surfers wordt aangeland;

  19. zwemgelegenheid (in oppervlaktewater): officieel (door de provincie) aangewezen zwemwaterlocatie in oppervlaktewater, niet zijnde een zweminrichting, waar door een groot aantal personen wordt gezwommen;

  20. zweminrichting: een voor het publiek toegankelijke plaats die is ingericht om te worden gebruikt voor het zwemmen, tezamen met de daarbij behorende terreinen, bouwwerken en uitrustingen.

Artikel 5:23

Voorwerpen op, in of boven openbaar water

Vervallen

Innemen ligplaats

Artikel 5:24

Ligplaats vaartuigen

  1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.

  2. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water:

    1. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente;

    2. beperkingen stellen naar soort, tijdsduur en aantal vaartuigen.

  3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet milieubeheer of het Binnenvaartpolitiereglement.

  4. Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  5. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of namens het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

Artikel 5:25

Verbod innemen ligplaats

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 5:40 (Tijden van verblijf passantenhavens), is het verboden met een vaartuig buiten de havens langer dan 3 achtereenvolgende dagen op dezelfde locatie een ligplaats in te nemen of, als het vaartuig is verplaatst, binnen 3 dagen weer dezelfde ligplaats in te nemen. Onder een dag wordt verstaan de tijd tussen 00:00 uur en 24:00 uur.

  2. Ten aanzien van het genoemde in het eerste lid geldt dat als het vaartuig wordt verplaatst naar een plaats gelegen binnen een afstand van 500 meter hemelsbreed gemeten van een eerder ingenomen verboden ligplaats, het vaartuig wordt geacht op dezelfde plaats te zijn blijven liggen.

  3. Het in het eerste lid vermelde verbod geldt niet:

    1. voor bedrijfsvaartuigen die direct of indirect betrokken zijn bij ontgronding of bij de inrichting van de wateren;

    2. op de bestemde werkstroken ten behoeve van de scheepsbouw.

Artikel 5:25A

Verboden gebruik oevers

  1. Het is verboden om met een vaartuig een ligplaats in te nemen in de voor de oever gelegen rietkraag;

  2. Het is verboden om met een vaartuig in een rietkraag of in de oever te ankeren;

  3. Het is verboden een vaartuig, langer dan 2,5 meter, te water te laten, uit het water te halen, op gronden neer te leggen of te laten liggen aan de oever anders dan op de daarvoor door het college aangewezen of bestemde plaatsen die ter plaatse nader zijn aangeduid.

Artikel 5:29

Verbod innemen ligplaats/verbod tot ankeren

Vervallen.

Openbare orde en veiligheid

Artikel 5:30

Beschadigen van waterstaatswerken

  1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 5:31

Reddingsmiddelen

Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel of voor onmiddellijk gebruik ongeschikt te maken.

Artikel 5:32

Veiligheid op het water

  1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.

  2. Het is verboden binnen twintig meter van een in gebruik zijnde zweminrichting, zwemgelegenheid of surfoever te varen en te ankeren.

  3. De verboden, genoemd in lid 1 en 2, zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de provinciale omgevingsverordening of het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet.

Artikel 5:33

Overlast aan vaartuigen

  1. Het is verboden zich zonder redelijk doel vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.

  2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.

Artikel 5:34

Verstoren goede orde

  1. Het is verboden op het openbaar water de goede orde te verstoren, onder meer door:

    1. het veroorzaken van geluidhinder, in welke vorm ook;

    2. op enigerlei wijze de rust te verstoren tussen 22.00 uur 's avonds en 07.00 uur ’s morgens;

    3. het verontreinigen van het terrein, het water, de gebouwen, de steigers en andere werken door vuilnis, olie, chemicaliën, bilgewater, etc.;

    4. het gebruik van een boordtoilet of het anderszins storten van fecaliën en bijkomend afvalwater in openbaar water;

    5. het onvoorzichtig omgaan met vuur, daaronder begrepen het aan te water liggende vaartuigen uitvoeren van werkzaamheden, waarbij hoge temperaturen ontstaan, alsmede het onvoorzichtig omgaan met benzine, gas of andere ontvlambare stoffen;

    6. het laten proefdraaien van boordmotoren met ingeschakelde schroef;

    7. anderszins handelingen te verrichten, waardoor hinder, overlast of gevaar wordt of kan worden veroorzaakt.

  2. Het is voorts verboden:

    1. aan steigers of palen te spijkeren of enige andere voorziening te maken waarvoor geen toestemming is verleend door het college;

    2. aanpassingen aan de waterbodem en/of puinbestortingen te maken

    3. aanlegtouwen etc. over het loopvlak van de steigers of voetpaden te bevestigen

    4. oevergroen te snoeien en/of te maaien.

Artikel 5:35

Voorwerpen op, in of boven openbaar water

Passagiersvaartuigen

  1. Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

  2. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 5:36

Afmeren passagiersvaartuigen (o.a. rondvaartboten, feestboten en riviercruises)

  1. Het is verboden met een passagiersvaartuig af te meren.

  2. Het verbod in het eerste lid geldt niet:

    1. voor het afmeren aan de aanlegsteigers binnen de kernen:

      1. Stevensweert, zoals afgebeeld in bijgevoegde situatietekening;

      2. Thorn, zoals afgebeeld in bijgevoegde situatietekening;

      3. Wessem, zoals afgebeeld in bijgevoegde situatietekening.

    2. en een daartoe strekkende vergunning is verleend door het college.

Artikel 5:39

Bestemming passantenhavens

  1. De binnen de gemeente als zodanig aangeduide passantenhavens zijn uitsluitend bestemd voor:

    1. pleziervaartuigen met een maximale lengte van 15 meter, en;

    2. een maximale diepgang van 1.80 meter.

  2. Het is verboden met andere vaartuigen een ligplaats in te nemen in de passantenhavens.

  3. Het is verboden een ligplaats in te nemen op de volgens aanduiding voor anderen gereserveerde gedeelten van de steigers in de passantenhavens.

  4. Het verbod genoemd in het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op de passantenhaven in Maasbracht. In de passantenhaven Maasbracht betreft de maximale lengte voor pleziervaartuigen 20 meter.

  5. Het college kan van het onder het eerste en tweede lid bepaalde ontheffing verlenen.

  6. Op de aanvraag om ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:40

Tijden van verblijf passantenhavens

  1. Het is verboden langer dan 3 achtereenvolgende dagen een ligplaats in dezelfde passantenhaven in te nemen en nadat deze periode is verstreken, binnen 24 uur opnieuw ligplaats in dezelfde passantenhaven in te nemen.

  2. Het is verboden tussen zonsondergang en zonsopgang een ligplaats in te nemen, vaartuigen te verplaatsen of de passantenhaven te verlaten.

  3. Het verbod genoemd in het eerste lid is niet van toepassing op de passantenhaven in Maasbracht.

  4. Het college kan van het onder het eerste en tweede lid bepaalde ontheffing verlenen.

  5. Op de aanvraag om ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:41

Afmeren passantenhavens

De schipper op een vaartuig moet ervoor te zorgen, dat het vaartuig op deugdelijke wijze is

afgemeerd, op een manier dat het vrij van andere vaartuigen, steigers of palen blijft.

Artikel 5:42

Liggeld passantenhavens

  1. Voor een verblijf met een vaartuig in de passantenhavens in Maasbracht en Wessem is liggeld verschuldigd.

  2. De hoogte van het liggeld en de wijze van inning wordt door het college vastgesteld.

Artikel 5.43

Gebruiksregels passantenhavens

  1. Het is verboden in de passantenhaven te zwemmen, te spelevaren of te surfen.

  2. Ook buiten de in het tweede lid genoemde periode is het verboden geluidhinder te veroorzaken.

  3. Tevens is het verboden anderszins handelingen te verrichten, waardoor hinder, overlast of gevaar wordt of kan worden veroorzaakt.

Artikel 5:44

Milieuhygiëne en veiligheid passantenhavens

  1. Het is niet toegestaan roerende zaken op de kaden te plaatsen en deze kaden anders te gebruiken dan overeenkomstig de bestemming.

  2. Het verwijderen of achterlaten van afval, vuilnis en het lozen van de inhoud van vuilwatertanks, chemische toiletten etc. is op de locatie van de passantenhaven verboden. Gebruik moet worden gemaakt van elders door derden ter beschikking gestelde voorzieningen.

  3. Indien als gevolg van een ongeval, lekkage of anderszins benzine, andere ontvlambare of verontreinigde stoffen overboord gaan of anderszins in het water of op de oever terechtkomen, is de schipper op een vaartuig verplicht dit onmiddellijk aan de beheerder van de passantenhaven of bij diens afwezigheid aan de politie te melden.

  4. Het gebruik van een direct op het water lozend toilet is verboden.

  5. Het vaartuig dient te zijn uitgerust met een goed functionerende brandblusser.

Artikel 5:45

Verbod onderhoudswerkzaamheden passantenhavens

Het is verboden in de passantenhaven zonder ontheffing van het college belangrijke reparaties of groot onderhoud aan vaartuigen te verrichten of te laten verrichten.

Artikel 5:46

Ordebepaling passantenhavens

De rechthebbende op een vaartuig is zolang het vaartuig in de passantenhaven verblijft, verplicht alle aanwijzingen op te volgen van de beheerder en toezichthoudende ambtenaren van de gemeente Maasgouw.

Artikel 5:46A

Afbakening

Deze afdeling is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door een wet in formele zin, verordeningen van de provincie of het waterschap en de Woonschepenverordening Maasgouw.

Artikel 5:48

Crossterreinen

  1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

  2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:

    1. het voorkomen of beperken van overlast;

    2. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;

    3. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

  3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of het Besluit geluidproductie sportmotoren.

Artikel 5:49

Beperking verkeer in natuurgebieden

  1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.

  2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:

    1. het voorkomen van overlast;

    2. de bescherming van natuur- of milieuwaarden;

    3. de veiligheid van het publiek.

  3. Het verbod is niet van toepassing op bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden:

    1. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten;

    2. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    3. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

    4. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    5. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.

  4. Het verbod is voorts niet van toepassing:

    1. op wegen die zijn gelegen binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden en terreinen;

    2. binnen de bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als ‘toestel’.

  5. Het college kan ontheffing verlenen van het opgenomen verbod.

Artikel 5:50

Verbod verbranden afvalstoffen buiten inrichtingen of anderszins vuur stoken

  1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

  2. Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op:

    1. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

    2. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand;

    3. vuur voor koken, bakken en braden;

    4. Sint Maartensvuren, mits wordt voldaan aan de brandveiligheidsvoorschriften zoals opgenomen in de Nadere regels evenementen en de voorschriften zoals opgenomen in de verleende ontheffing op grond van artikel 10.2 en 10.63 Wet Milieubeheer zie bijlage.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.

  5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale omgevingsverordening.

Artikel 5:51

Definitie

In deze afdeling wordt onder incidentele as verstrooiing verstaan het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.

Artikel 5:52

Verboden plaatsen

  1. Incidentele as verstrooiing is verboden op:

    1. verharde delen van de weg;

    2. gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.

  2. Het college kan voor een bepaalde periode verbieden dat op andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid as verstrooiing plaatsvindt.

  3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder a .

  4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:53

Hinder of overlast

Incidentele as verstrooiing is verboden als daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor

derden.

Artikel 6:1

Sanctiebepaling

  1. Overtreding van het bij of krachtens de artikelen van deze verordening bepaalde en de daarbij op grond van artikel 1:4 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

  2. In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:5, vijfde lid juncto eerste lid en 2:6, tweede lid.

Artikel 6:2

Toezichthouders

  1. Met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast:

    • de politieambtenaren werkzaam binnen het grondgebied van de gemeente Maasgouw;

    • buitengewoon opsporingsambtenaren, faunabeheerders en wildbeheerseenheden, die werkzaam zijn binnen de politie eenheid Limburg en/of deel uitmaken van het BOA netwerk van de politie eenheid Limburg;

    • opsporingsambtenaren en handhavers in dienst van het Servicecentrum MER, afdeling Omgevingsdienst, team Toezicht, ieder voor zover het betreft zaken die aan hun toezicht zijn toevertrouwd;

    • ingehuurde opsporingsambtenaren die in opdracht van de gemeente Maasgouw controles voeren;

    • ambtenaren van de provincie Limburg belast met het toezicht op handhaving van de openbare ruimte en/of milieuwetgeving in opdracht van de gemeente Maasgouw;

    • medewerkers van de Regionale Uitvoeringsdienst Noord die in opdracht van de gemeente Maasgouw controles uitvoeren;

    • ambtenaren van de waterschappen die in opdracht van de gemeente Maasgouw controles uitvoeren;

    • de Groene Brigade van de provincie Limburg voor zover het betreft zaken die aan hun toezicht zijn toevertrouwd.

  2. Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten.

Artikel 6:3

Binnentreden woningen

Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of

krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare

orde, veiligheid, bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot

het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Artikel 6:4

Intrekking oude verordening

De Algemene plaatselijke verordening Maasgouw 2017 wordt ingetrokken.

Artikel 6:5

Overgangsbepaling

Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, eerste lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening

overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.

Artikel 6:6

Inwerkingtreding

Met uitzondering van artikel 2:54a, eerste tot en met derde lid, treedt de Algemene plaatselijke verordening per 1 januari 2021 in werking. Artikel 2:54a, eerste tot en met derde lid, treedt in werking de dag na bekendmaking.

Artikel 6:7

Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening Maasgouw 2020.

← terug naar wetten