1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.

  2. Het is verboden binnen twintig meter van een in gebruik zijnde zweminrichting, zwemgelegenheid of surfoever te varen en te ankeren.

  3. De verboden, genoemd in lid 1 en 2, zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de provinciale omgevingsverordening of het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet.