1. Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiding van de iepeziekte of voor vermeerdering van de iepespintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn:
a.indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;
b.de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen;
c.of de niet ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.
2 Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren.
3 Het verbod is niet van toepassing op geheel ontschorst iepenhout en op iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 cm.
4 Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.