1. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan het bevoegd gezag de vergunning weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van de handhaving van:

    • natuur- en milieuwaarden;

    • landschappelijke waarden;

    • cultuurhistorische waarden;

    • waarden van stads- en dorpsschoon;

    • waarden voor recreatie, educatie, klimaatadaptatie en leefbaarheid.

  2. Het bevoegd gezag kan hierbij als criterium de boomwaarde, bedoeld in artikel 4:10 hanteren.

  3. Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant.

  4. Wordt het voorschrift opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.

  5. Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen voorts onder meer behoren aanwijzingen ter bescherming van in en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna.

  6. Degene aan wie een voorschrift of een verplichting als bedoeld in dit artikel is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.