1. Tijdelijke of flexibele camera’s mogen worden geplaatst:

    1. voorafgaand aan, tijdens of na afloop van evenementen als bedoeld in artikel 2:24, eerste en tweede lid, waaronder ook betogingen, waarbij:

      1. grotere bezoekersaantallen verwacht worden, die omwille van de veiligheid gemonitord moeten worden; of

      2. er rekening gehouden wordt met acties die de openbare orde kunnen verstoren;

    2. op een openbare plaats waar ernstige verstoring van de openbare orde heeft plaatsgevonden of sprake is van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan en andere methoden om dit te beëindigen of te voorkomen onvoldoende effect hebben mits hierover overleg is geweest met de officier van justitie in het overleg, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Politiewet.

    3. op een openbare plaats waar langdurige ernstige overlast wordt ervaren en andere methoden om deze te beëindigen onvoldoende effect hebben.

  2. Bij cameratoezicht met tijdelijke en flexibele camera’s geschiedt ‘live’ uitkijken door of onder de verantwoordelijkheid van aanwezige politiefunctionarissen.

  3. De burgemeester kan binnen de in dit deze afdeling gestelde randvoorwaarden voor tijdelijk en flexibel cameratoezicht het aantal tijdelijke en flexibele camera’s, het soort camera’s en de precieze plaatsing naar eigen inzicht bepalen.

  4. Een termijn voor toepassing van flexibel en tijdelijk cameratoezicht bedraagt maximaal een jaar. In het geval de burgemeester het flexibel en tijdelijk cameratoezicht wenst voort te zetten na afloop van deze termijn, raadpleegt hij hierover per geval vooraf de gemeenteraad.