-
Deze afdeling is van toepassing op de volgende wateractiviteiten:
vergunningplichtige beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk als bedoeld in de hoofdstukken 6 en 7 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
vergunningplichtige beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een installatie, anders dan een mijnbouwinstallatie, in een waterstaatswerk als bedoeld in hoofdstuk 7 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
vergunningplichtige lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in de hoofdstukken 3, 6 en 7 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
vergunningplichtige lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
stortingsactiviteiten op zee die niet zijn aangewezen als vergunningvrije activiteiten in paragraaf 7.2.8 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en
vergunningplichtige wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in hoofdstuk 6 of afdeling 16.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
-
Deze afdeling is opgenomen met het oog op het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het milieu, het beheer van watersystemen en het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening.
Besluit kwaliteit leefomgeving Actueel
Inhoud
§ 8.9.1
Artikel 8.84
-
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een wateractiviteit als bedoeld in artikel 8.83, eerste lid, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van:
het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;
het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en
het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen.
-
Bij de beoordeling van de aanvraag wordt rekening gehouden met de waterbeheerprogramma’s, regionale waterprogramma’s, stroomgebiedsbeheerplannen, overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam.
-
Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval niet toe leiden dat:
niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid, en 2.15, eerste lid, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid;
een goed ecologisch potentieel als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, niet wordt bereikt, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, tweede lid; en
een minder strenge doelstelling als bedoeld in artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder d, niet wordt bereikt.
-
Het derde lid is niet van toepassing:
voor zover het gaat om de omgevingswaarde, bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, als het niet voldoen aan die omgevingswaarde wordt veroorzaakt door een buiten Nederland gelegen verontreinigingsbron en toepassing is gegeven aan artikel 2.17, derde lid; of
als het niet voldoen aan een omgevingswaarde of het niet bereiken van een goed ecologisch potentieel of een minder strenge doelstelling het gevolg is van:
- 1°
nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam of wijzigingen in de stand van een grondwaterlichaam; en
- 2°
toepassing is gegeven aan artikel 2.17, vierde lid.
- 1°
-
Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval ook niet toe leiden dat de doelstelling van het voorkomen van de achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van krw-oppervlaktewaterlichamen en van de chemische toestand en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen, bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, niet wordt bereikt.
-
In afwijking van het vijfde lid wordt een omgevingsvergunning verleend als:
de aanvraag betrekking heeft op gevallen waarin het niet voorkomen van die achteruitgang het gevolg is van:
- 1°
nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam;
- 2°
wijzigingen in de stand van grondwaterlichamen; of
- 3°
nieuwe duurzame activiteiten, voor zover het gaat om de achteruitgang van een zeer goede toestand van een krw-oppervlaktewaterlichaam naar een goede toestand;
- 1°
aan de voorwaarden van artikel 4, zevende, achtste en negende lid, van de kaderrichtlijn water is voldaan; en
de motivering voor het waterlichaam wordt opgenomen in het nationale waterprogramma, als het gaat om rijkswateren, of in het regionale waterprogramma, als het gaat om regionale wateren.
Artikel 8.85
Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden over het na het beëindigen van de activiteit wegnemen, compenseren of beperken van door de activiteit of het beëindigen daarvan veroorzaakte nadelige gevolgen voor het watersysteem.