-
Deze paragraaf is van toepassing op een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die betrekking heeft op het exploiteren van een ippc-installatie voor het storten van afvalstoffen of het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het storten van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen op een stortplaats, bedoeld in de artikelen 3.84, eerste lid, aanhef en onder a en b, en 3.85, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, en voor zover:
op de stortplaats alleen baggerspecie wordt gestort; en
de stortplaats niet is gelegen in een oppervlaktewaterlichaam.
-
Deze paragraaf is niet van toepassing op:
voorwerpen die afzonderlijk van of uit de waterbodem zijn verwijderd, voorwerpen die redelijkerwijs tijdens het baggeren uit de baggerspecie kunnen worden verwijderd en voorwerpen die na het baggeren uit de baggerspecie zijn verwijderd;
waterbodem die is gewonnen met het oog op de toepassing als grondstof;
waterbodem die niet uit een oppervlaktewaterlichaam is genomen;
baggerspecie die is ontwaterd of gerijpt met het oog op de toepassing als grond, voor zover wordt voldaan aan de regels over het toepassen van grond of baggerspecie, bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en
stoffen en producten die zijn ontstaan door de behandeling of toepassing van baggerspecie, met uitzondering van het residu van die behandeling.
Besluit kwaliteit leefomgeving Actueel
Inhoud
§ 8.5.2.5
Artikel 8.62b
Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden over de vakbekwaamheid en de opleiding van degene die de stortplaats exploiteert en de op de stortplaats werkzame personen.
Artikel 8.62c
-
Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de volgende maatregelen worden getroffen, als uit een berekening blijkt dat de standaardwaarde voor het grondwater, bedoeld in bijlage XVIIIa, zal worden overschreden buiten het toelaatbaar beïnvloede gebied:
het aanbrengen van een organisch stofrijke minerale laag op de bodem of de taluds van de stortplaats; of
het aanbrengen van een geohydrologisch isolatiesysteem waarmee wordt voorkomen dat het interventiepunt wordt bereikt.
-
Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, voorkomen dat buiten het toelaatbaar beïnvloede gebied overschrijding plaatsvindt van de standaardwaarde voor het grondwater, bedoeld in bijlage XVIIIa.
-
Het toelaatbaar beïnvloede gebied is het gebied direct buiten de stortplaats, waarbinnen wordt nagegaan of het interventiepunt wordt bereikt.
-
Aan een omgevingsvergunning kunnen in afwijking van het eerste en tweede lid voorschriften worden verbonden die inhouden dat andere maatregelen worden getroffen, als is aangetoond of voldoende aannemelijk is gemaakt dat deze maatregelen even duurzaam en gelijkwaardig zijn en binnen het toelaatbaar beïnvloede gebied het interventiepunt niet wordt bereikt en de standaardwaarde voor het grondwater buiten het toelaatbaar beïnvloede gebied niet wordt overschreden.
-
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het aan een omgevingsvergunning verbinden van voorschriften over:
het bepalen van het toelaatbare beïnvloede gebied, bedoeld in het derde lid; en
het bepalen of het interventiepunt binnen het toelaatbare beïnvloede gebied wordt bereikt.
Artikel 8.62d
-
Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat het aanbrengen en in werking stellen en houden van een geohydrologisch isolatiesysteem mogelijk moet blijven.
-
Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat:
als een geohydrologisch isolatiesysteem is aangebracht, dit systeem in goede staat van onderhoud wordt gehouden en zo nodig wordt hersteld; en
het met behulp van een geohydrologisch isolatiesysteem opgepompte water zo wordt opgevangen, verzameld en gezuiverd of afgevoerd dat geen gevaar bestaat voor verontreiniging van de bodem of het grondwater.
Artikel 8.62e
Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat na het beëindigen van de stortwerkzaamheden zo nodig een afdeklaag met een dikte van ten minste 1 m wordt aangebracht op de gestorte baggerspecie.
Artikel 8.62f
-
Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden waarin is aangegeven:
het toegelaten herkomstgebied van de baggerspecie;
de klasse, klassen of verontreinigingsgraad van de baggerspecie die op de stortplaats mag worden gestort;
de totale hoeveelheid baggerspecie die op de stortplaats mag worden gestort, uitgedrukt in tonnen droge stof en dichtheid; en
tot welke hoogte mag worden gestort.
-
Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden waarin is aangegeven onder welke bijzondere omstandigheden na mededeling aan het bevoegd gezag mag worden afgeweken van de voorschriften, bedoeld in het eerste lid, onder a en b.
-
Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat:
de hoeveelheid baggerspecie per oppervlakte-eenheid zo groot mogelijk is; en
de minst verontreinigde baggerspecie zoveel mogelijk op de bodem en langs de taluds van de stortplaats wordt aangebracht.
Artikel 8.62g
-
Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat een deugdelijk controlesysteem aanwezig is, waarmee het niveau en de kwaliteit van het grondwater en de hoeveelheid en de kwaliteit van het oppervlaktewater in de directe omgeving van de stortplaats kunnen worden onderzocht.
-
Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat met het controlesysteem in ieder geval kan worden nagegaan:
of en in welke mate verontreinigende stoffen zich verspreiden in het oppervlaktewater en het grondwater in de omgeving van de stortplaats; en
of het interventiepunt zal worden bereikt of is bereikt.
-
Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat bij het ontwerp van het controlesysteem rekening wordt gehouden met:
het ontwerp van het geohydrologisch isolatiesysteem, bedoeld in artikel 8.62d;
de maatregelen tegen de overschrijding, bedoeld in artikel 8.62c, eerste lid; en
het toelaatbaar beïnvloede gebied, bedoeld in artikel 8.62c, tweede, derde en vierde lid.
Artikel 8.62h
-
Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat:
een inventarisatie wordt uitgevoerd waarbij de ligging, de omvang en de kenmerken worden bepaald van het oppervlaktewater, dat in de potentiële invloedssfeer van de stortplaats is gelegen; en
parameters in het oppervlaktewater, bedoeld onder a, worden gemeten op de in de voorschriften aangegeven meetpunten.
-
Vanwege de kenmerken van de stortplaats kan worden afgezien van het aan de omgevingsvergunning verbinden van voorschriften als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b.
-
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het aan een omgevingsvergunning verbinden van voorschriften over:
de frequentie van de inventarisatie, bedoeld in het eerste lid, onder a, en de metingen, bedoeld in het eerste lid, onder b; en
de vaststelling van de meetpunten, bedoeld in het eerste lid, onder b.
Artikel 8.62i
-
Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat het niveau van het grondwater binnen en in de directe omgeving van de stortplaats voor zover mogelijk wordt vastgesteld op de in de voorschriften aangegeven referentiepunten en controlemeetpunten.
-
Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden waarin is aangegeven:
welke parameters worden gemeten in het grondwater;
op welke diepten in de bodem de monsterneming op elk meetpunt plaatsvindt;
dat de parameters, bedoeld onder a, voor zover mogelijk worden gemeten op de referentiepunten en de controlemeetpunten, bedoeld in het eerste lid; en
dat de metingen worden verricht in een vaste periode in het jaar.
-
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het aan een omgevingsvergunning verbinden van voorschriften over:
de frequentie van de vaststelling van het niveau van het grondwater, bedoeld in het eerste lid;
de wijze waarop de referentiepunten en de controlemeetpunten, bedoeld in het eerste lid, worden bepaald; en
de frequentie van de metingen, bedoeld in het tweede lid, onder c.
Artikel 8.62j
Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat geen baggerspecie wordt gestort voordat:
het bevoegd gezag na inspectie van de stortplaats aan degene die de stortplaats exploiteert heeft meegedeeld dat is voldaan aan de voorschriften die op grond van de artikelen 8.62c tot en met 8.62f aan de omgevingsvergunning zijn verbonden;
de concentratie van elke parameter, bedoeld in artikel 8.62i, tweede lid, is bepaald op ten minste drie in de voorschriften aangegeven meetpunten; en
degene die de stortplaats exploiteert bewijs aan het bevoegd gezag heeft overgelegd dat op grond van artikel 8.6 van het Omgevingsbesluit financiële zekerheid is gesteld of een gelijkwaardige voorziening is getroffen.
Artikel 8.62k
Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat een urgentieplan op hoofdlijnen wordt opgesteld waarin wordt aangegeven welke maatregelen moeten worden getroffen als een interventiepunt wordt bereikt.
Artikel 8.62l
-
Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden, die inhouden dat het interventiepunt is bereikt als:
binnen het toelaatbaar beïnvloede gebied, bedoeld in artikel 8.62c, derde lid, op een controlemeetpunt de concentratie van een of meer stoffen gelijk is aan of groter is dan de signaalwaarde voor die stof, vermeerderd met de standaardwaarde voor het grondwater, bedoeld in bijlage XVIIIa;
de overschrijding, bedoeld onder a, is bevestigd door een herhaalde meting; en
onderzoek is verricht naar de oorzaak van de overschrijding, bedoeld onder a, of de voor het verrichten van het onderzoek in de omgevingsvergunning aangegeven termijn is verstreken.
-
Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat in afwijking van de voorschriften, bedoeld in het eerste lid, het interventiepunt niet is bereikt als uit het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, onder c, blijkt dat de overschrijding niet is veroorzaakt door de stortplaats.
-
Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden over de wijze waarop en de termijn waarbinnen de herhaalde meting, bedoeld in het eerste lid, onder b, en het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, onder c, worden verricht.
-
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het aan een omgevingsvergunning verbinden van voorschriften over:
de vaststelling van de signaalwaarde, bedoeld in het eerste lid, onder a; en
de herhaalde meting, bedoeld in het eerste lid, onder b.
Artikel 8.62m
Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat als een voor de stortplaats bepaald interventiepunt wordt bereikt:
dit onverwijld aan het bevoegd gezag wordt gemeld; en
een uitgewerkt urgentieplan wordt opgesteld op basis van het urgentieplan op hoofdlijnen, bedoeld in artikel 8.62k, in overleg met het bevoegd gezag, binnen een in de omgevingsvergunning bepaalde periode, waarin in ieder geval wordt aangegeven:
- 1°
welke maatregelen binnen een daarbij aan te geven termijn worden getroffen om:
- i
te voorkomen dat de concentratie van de betrokken stoffen buiten het toelaatbaar beïnvloede gebied, bedoeld in artikel 8.62c, derde lid, gelijk zal zijn aan of groter zal zijn dan de signaalwaarde voor die stof, vermeerderd met de standaardwaarde voor het grondwater, bedoeld in bijlage XVIIIa; en
- ii
de situatie, bedoeld onder i, ongedaan te maken, als deze situatie zich al heeft voorgedaan; en
- i
- 2°
op welke wijze en binnen welke termijn wordt gecontroleerd of de maatregelen, bedoeld onder 1°, het beoogde effect hebben.
- 1°
Artikel 8.62n
-
Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de uitkomsten van de metingen, bedoeld in de artikelen 8.62h, eerste lid, onder b, en 8.62i, tweede lid, en de vaststelling, bedoeld in artikel 8.62i, eerste lid, worden bewaard.
-
Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de volgende resultaten ten minste eenmaal per jaar aan het bevoegd gezag worden gezonden:
de uitkomsten van de metingen, vaststellingen en controle, bedoeld in het eerste lid;
de hoeveelheid baggerspecie die over het voorgaande jaar op de stortplaats is gestort, uitgedrukt in tonnen droge stof en dichtheid;
tot welke hoogte baggerspecie is gestort;
de met baggerspecie bedekte oppervlakte;
de toegepaste stortmethode;
het herkomstgebied van de gestorte baggerspecie;
de klasse of verontreinigingsgraad van de gestorte baggerspecie;
het consolidatiegedrag in de stortplaats; en
de resterende stortcapaciteit op de stortplaats, uitgedrukt in tonnen droge stof en dichtheid.
Artikel 8.62o
Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat monsterneming, monstervoorbehandeling en analyse van de monsters van het grondwater en het oppervlaktewater plaatsvinden volgens de actuele stand van de techniek.