Besluit kwaliteit leefomgeving Actueel

Inhoud

§ 2.2.1.1

Omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit

Artikel 2.2

De omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht, bedoeld in de artikelen 2.3 tot en met 2.7, zijn niet van toepassing op een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 2 van Richtlijn 89/654/EEG van de Raad van 30 november 1989 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor arbeidsplaatsen (PbEG 1989, L 393) waartoe het publiek gewoonlijk geen toegang heeft.

Artikel 2.3

  1. Voor zwaveldioxide gelden de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties:

    1. 350 μg/m3 als uurgemiddelde, dat ten hoogste 24 maal per kalenderjaar wordt overschreden;

    2. 125 μg/m3 als 24-uurgemiddelde, dat ten hoogste drie maal per kalenderjaar wordt overschreden;

    3. 20 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde; en

    4. 20 μg/m3 als winterhalfjaargemiddelde, over de periode van 1 oktober tot en met 31 maart.

  2. De omgevingswaarden voor zwaveldioxide zijn resultaatsverplichtingen.

  3. De omgevingswaarden, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c en d, gelden op locaties met een oppervlakte van ten minste 1.000 km2 die zijn gelegen op een afstand van ten minste:

    1. 20 km van een bij ministeriële regeling aangewezen agglomeratie; en

    2. 5 km van:

      1. een andere locatie met bebouwing;

      2. een ippc-installatie of een andere milieubelastende installatie; en

      3. een autosnelweg of autoweg waarvan per dag meer dan 50.000 motorvoertuigen gebruik maken.

Artikel 2.4

  1. Voor stikstofdioxide gelden de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties:

    1. 200 μg/m3 uurgemiddelde, dat ten hoogste achttien maal per kalenderjaar wordt overschreden; en

    2. 40 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde.

  2. Voor stikstofoxiden geldt een ten hoogste toelaatbare concentratie van 30 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde.

  3. De omgevingswaarden voor stikstofdioxide en stikstofoxiden zijn resultaatsverplichtingen.

  4. De omgevingswaarde voor stikstofoxiden, bedoeld in het tweede lid, geldt op locaties als bedoeld in artikel 2.3, derde lid.

Artikel 2.5

  1. Voor PM10 gelden de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties:

    1. 50 μg/m3 als 24-uurgemiddelde, dat ten hoogste 35 maal per kalenderjaar wordt overschreden; en

    2. 40 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde.

  2. Voor PM2,5 gelden de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties:

    1. 25 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde;

    2. 20 μg/m3 als over drie kalenderjaren berekend voortschrijdend gemiddelde van de kalenderjaargemiddelden; en

    3. 14,4 μg/m3 als over drie kalenderjaren berekend voortschrijdend gemiddelde van de kalenderjaargemiddelden.

  3. De omgevingswaarden voor PM10, bedoeld in het eerste lid, en de omgevingswaarden voor PM2,5, bedoeld in het tweede lid, onder a en b, zijn resultaatsverplichtingen.

  4. De omgevingswaarde voor PM2,5, bedoeld in het tweede lid, onder c, is een inspanningsverplichting.

  5. De omgevingswaarden, bedoeld in het tweede lid, onder b en c, gelden op stedelijke achtergrondlocaties, zijnde stedelijk gebied waar de concentraties representatief zijn voor de blootstelling van de stedelijke bevolking in het algemeen.

Artikel 2.6

  1. Voor benzeen geldt een ten hoogste toelaatbare concentratie van 5 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde.

  2. Voor lood geldt een ten hoogste toelaatbare concentratie van 0,5 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde in PM10.

  3. Voor koolmonoxide geldt een ten hoogste toelaatbare concentratie van 10.000 μg/m3 als hoogste acht-uurgemiddelde van een dag.

  4. De omgevingswaarden voor benzeen, koolmonoxide en lood zijn resultaatsverplichtingen.

Artikel 2.7

  1. Voor ozon gelden de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties:

    1. 120 μg/m3 als hoogste acht-uurgemiddelde concentratie van een dag, die gemiddeld over drie kalenderjaren op ten hoogste vijfentwintig dagen per kalenderjaar wordt overschreden;

    2. 120 μg/m3 als hoogste acht-uurgemiddelde concentratie van een dag, gedurende een kalenderjaar, waaraan wordt voldaan op de lange termijn;

    3. 18.000 (μg/m3) ▪ uur als AOT40 gemiddeld over vijf kalenderjaren; en

    4. 6.000 (μg/m3) ▪ uur als AOT40 per kalenderjaar, waaraan wordt voldaan op de lange termijn.

  2. AOT40 is een gesommeerd verschil tussen de uurgemiddelde concentraties van ozon boven 80 μg/m3 en 80 μg/m3 tussen 8.00 uur en 20.00 uur voor de periode van 1 mei tot en met 31 juli.

  3. De omgevingswaarden voor ozon zijn inspanningsverplichtingen.

← terug naar Besluit kwaliteit leefomgeving