Besluit kwaliteit leefomgeving Actueel

Inhoud

§ 5.1.3

Beschermen van de waterbelangen

Artikel 5.36

  1. De bepalingen in de paragrafen 5.1.3.2, 5.1.3.3, 5.1.3.4 en 5.1.3.5 zijn niet van toepassing voor zover activiteiten:

    1. op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al rechtmatig op een locatie worden verricht of zijn toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van die bepalingen; of

    2. zijn toegestaan op grond van een in werking getreden projectbesluit of omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, dat is vastgesteld respectievelijk die is verleend door een bestuursorgaan van het Rijk.

  2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, zijn de artikelen 5.43, eerste lid, onderdeel d, en 5.46 van toepassing op activiteiten die op grond van een omgevingsplan zijn toegestaan, maar nog niet worden verricht op het tijdstip van inwerkingtreding van die bepalingen.

Artikel 5.37

  1. In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken.

  2. Het eerste lid laat onverlet de in paragraaf 5.1.3 gestelde specifieke regels over onderdelen van watersystemen in het omgevingsplan.

Artikel 5.38

  1. Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een primaire waterkering, wordt bij het toelaten van activiteiten gewaarborgd dat er geen belemmeringen ontstaan voor de instandhouding, het onderhoud of de versterking van de primaire waterkering.

  2. Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een krachtens artikel 2.20, eerste lid, van de wet of bij omgevingsverordening of waterschapsverordening aangewezen gebied grenzend aan een primaire waterkering waar ter bescherming van de primaire waterkering regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor die primaire waterkering, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

  3. Voor zover de primaire waterkering een zandige primaire waterkering binnen het kustfundament, bedoeld in artikel 5.39, is, wordt bij het toelaten van activiteiten ook gewaarborgd dat het zandvolume binnen de primaire waterkering en het gebied, bedoeld in het tweede lid, duurzaam behouden blijft.

Artikel 5.39

Het kustfundament is de locatie die is weergegeven op de kaarten in bijlage XI en waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd.

Artikel 5.40

  1. Een omgevingsplan laat geen bouwactiviteiten toe, voor zover het omgevingsplan van toepassing is op een locatie:

    1. binnen het kustfundament; en

    2. gelegen buiten stedelijk gebied.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwactiviteiten die betrekking hebben op:

    1. bouwwerken voor tijdelijke of seizoensgebonden activiteiten;

    2. een eenmalige uitbreiding van de grondoppervlakte van een bestaand bouwwerk met ten hoogste 10%, gerekend vanaf 30 december 2011;

    3. bouwwerken van openbaar belang die niet in het stedelijk gebied kunnen worden geplaatst, waarbij als bouwwerk van openbaar belang in ieder geval worden aangemerkt bouwwerken voor:

      1. telecommunicatievoorzieningen en hulpverleningsdiensten;

      2. opsporing, winning, opslag en transport van olie, gas en water, transport van elektriciteit en kleinschalige opwekking van elektriciteit met een windturbine; en

      3. waterbeheer en natuurbeheer;

    4. bouwwerken die bijdragen aan de versterking van het zandige deel van het kustfundament; en

    5. bouwwerken voor recreatief nachtverblijf of gebouwen ten behoeve van recreatief dagverblijf waar dranken worden geschonken, eten en drinkwaren voor consumptie worden bereid of verstrekt, of waar recreatieve activiteiten plaatsvinden.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover op grond van artikel 7.2 bij omgevingsverordening van de provincie Fryslân voor de Friese Waddeneilanden regels zijn gesteld over omgevingsplannen die afwijken van dat lid.

Artikel 5.41

Het rivierbed van de grote rivieren bestaat uit de locaties in de rivieren, genoemd in bijlage XII, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd.

Artikel 5.41a

De beperkingengebieden met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk in het rivierbed van de grote rivieren, zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd.

Artikel 5.42

  1. De reserveringsgebieden voor de lange termijn voor de Rijntakken zijn de locaties, bestaande uit het retentiegebied in de Rijnstrangen, de hoogwatergeul bij Deventer, de dijkteruglegging Brakel, de dijkteruglegging Oosterhout, de dijkteruglegging Loenen en de hoogwatergeul Varik-Heesselt, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd.

  2. De reserveringsgebieden voor de lange termijn voor de Maas zijn de locaties, bestaande uit de dijkverlegging Bokhoven, de dijkverlegging Kraaijenbergse Plassen, het retentiegebied Kraaijenbergse Plassen-west, het retentiegebied Keent Zuid bij Reek, de retentiegebieden dijkverlegging Overasselt, de dijkverlegging Alem, de dijkverlegging Moordhuizen, de dijkverleggingen Hedel en de dijkverleggingen Noorzijde Bergsche Maas, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd.

Artikel 5.43

  1. Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk in het rivierbed van de grote rivieren, wordt bij het toelaten van activiteiten gewaarborgd dat:

    1. sprake is van een veilig en doelmatig gebruik van de rivier;

    2. feitelijke belemmeringen voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier worden voorkomen;

    3. een waterstandsverhoging of afname van het bergend vermogen van de rivier wordt voorkomen of zoveel mogelijk wordt beperkt;

    4. resterende onvermijdbare waterstandsverhoging wordt gecompenseerd.

  2. Een omgevingsplan waarborgt dat bij het toelaten van activiteiten maatregelen worden getroffen om de resterende onvermijdbare waterstandsverhoging te compenseren.

Artikel 5.46

  1. Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk in het rivierbed van de grote rivieren, kan het omgevingsplan alleen de volgende activiteiten toelaten:

    1. de aanleg of wijziging van een waterstaatkundig kunstwerk;

    2. de aanleg van een voorziening voor een betere en veilige afwikkeling van de beroeps- of recreatievaart;

    3. de bouw of wijziging van een waterkrachtcentrale;

    4. de vestiging of uitbreiding van een overslagbedrijf of het realiseren van een overslagfaciliteit, als die activiteit is gekoppeld aan het vervoer over de rivier;

    5. de aanleg of wijziging van een scheepswerf voor beroeps- of pleziervaartuigen en specifiek daaraan verbonden activiteiten als bedoeld in artikel 3.144 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    6. de aanleg, het beheer of de verbetering van natuur;

    7. de verbetering van de waterkwaliteit;

    8. de uitbreiding of wijziging van een bestaande steenfabriek;

    9. de aanleg van een voorziening die onlosmakelijk met waterrecreatie of extensieve uiterwaardrecreatie is verbonden;

    10. de winning van oppervlaktedelfstoffen;

    11. de aanleg van een noodzakelijke voorziening voor het agrarisch, landschappelijk of daarmee vergelijkbaar beheer van het rivierbed;

    12. een activiteit voor het behoud of herstel van landschappelijke elementen of cultureel erfgoed, in het bijzonder bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten;

    13. de aanleg van een voorziening ten behoeve van drinkwaterwinning of aquathermie;

    14. de aanleg van een voorziening van groot openbaar belang die redelijkerwijs niet buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd;

    15. een activiteit met een bedrijfseconomisch belang voor een bestaand grondgebonden agrarisch bedrijf die redelijkerwijs niet buiten het rivierbed kan worden verricht;

    16. verduurzaming van de energievoorziening van een bestaande activiteit in het rivierbed; of

    17. de aanleg van een voorziening voor elektriciteitsopwekking door zonne- of windenergie die redelijkerwijs niet buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd.

  2. Het omgevingsplan kan de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, toelaten, mits het omgevingsplan bij het toelaten van activiteiten waarborgt dat maatregelen worden getroffen om de afname van het bergend vermogen van de rivier als gevolg van die activiteiten te compenseren.

  3. Onverminderd het eerste lid, kan het omgevingsplan ook de volgende activiteiten toelaten:

    1. een andere activiteit dan die waarvoor op grond van artikel 6.17, 6.29, 6.35, 6.40, 6.50, 6.54 of 6.58 van het Besluit activiteiten leefomgeving een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk is vereist;

    2. een activiteit voor rivierbeheer en -verruiming;

    3. een tijdelijke activiteit die gedurende maximaal vijf jaar ononderbroken plaatsvindt;

    4. een periodieke activiteit die meerdere jaren achter elkaar uitsluitend in een bepaald deel of bepaalde delen van het jaar plaatsvindt met een maximum van in totaal zeven maanden per jaar;

    5. een activiteit van rivierkundig ondergeschikt belang; of

    6. een wijziging van een gebruiksfunctie van een bouwwerk of het slopen en vervangen van een bouwwerk door een bouwwerk van gelijke omvang, tenzij het gaat om het toelaten van:

      1. een gebruiksfunctie waarbij de gebruiksfunctie van het bouwwerk wijzigt naar woonfunctie of naar een logiesfunctie; of

      2. een gebruiksfunctie ten behoeve van een andere activiteit dan bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met m.

Artikel 5.47

Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op de reserveringsgebieden voor de lange termijn voor de Rijntakken of de Maas, laat het omgevingsplan geen grootschalige of kapitaalintensieve ontwikkelingen toe die het treffen van rivierverruimende maatregelen kunnen belemmeren.

Artikel 5.48

Het IJsselmeergebied is de locatie, bestaande uit de oppervlaktewaterlichamen, genoemd in artikel 3.12, onder e, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd.

Artikel 5.49

  1. Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het IJsselmeergebied, laat het omgevingsplan geen landaanwinning en bouwactiviteiten toe.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op landaanwinning en bouwactiviteiten voor ontwikkelingen die zijn gericht op overstroombare natuur en daarvoor benodigde beschermende waterstaatkundige constructies, projecten in het kader van dijk- of kustversterking en projecten van nationaal belang voor windenergie.

  3. Het eerste lid is ook niet van toepassing op landaanwinning en bouwactiviteiten met een totale oppervlakte per gemeente van ten hoogste:

    1. 350 ha voor de gemeente Amsterdam voor het project IJburg tweede fase;

    2. 700 ha voor de gemeente Almere, waarvan:

      1. ten hoogste 12 ha in het Gooimeer voor het project Hoogtij; en

      2. de overige oppervlakte in het Markermeer voor het project Schaalsprong Almere;

    3. 150 ha voor de gemeente Lelystad voor woonfuncties, daaraan gerelateerde activiteiten en een overslaghaven;

    4. 35 ha voor de gemeente Harderwijk voor het project Waterfront Harderwijk;

    5. 17 ha voor de gemeente Fryske Marren, waarvan:

      1. ten hoogste 7 ha voor een tijdelijk werkeiland voor de winning van beton- en metselzand; en

      2. ten hoogste 10 ha voor ontwikkeling van natuur of andere functies dan het ontwikkelen van natuur, als die andere functies aansluiten op bestaande bebouwing;

    6. 10 ha voor de gemeenten Edam-Volendam en Gooise Meren voor ontwikkeling van natuur of andere functies dan het ontwikkelen van natuur, als die andere functies aansluiten op bestaande bebouwing; en

    7. 5 ha voor andere gemeenten dan die genoemd onder a tot en met f, voor ontwikkeling van natuur of andere functies dan het ontwikkelen van natuur, als die andere functies aansluiten op bestaande bebouwing.

  4. Bij de toepassing van het derde lid wordt het aantal hectares berekend ten opzichte van de toegestane mogelijkheden op grond van het op 22 december 2009 geldende bestemmingsplan, uitgaande van de op die datum geldende gemeentelijke indeling, of, voor gemeenten die na die datum zijn ingesteld, uitgaande van de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze bepaling geldende gemeentelijke indeling.

← terug naar Besluit kwaliteit leefomgeving