Besluit kwaliteit leefomgeving Actueel

Inhoud

§ 12.1.1

Geluidproductieplafonds industrieterreinen

Artikel 12.1

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:

  1. aanwezig industrieterrein: op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit aanwezig industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, totdat rondom dat industrieterrein met toepassing van artikel 12.2 geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of in het omgevingsplan is bepaald dat een activiteit als bedoeld in artikel 5.78b niet wordt verricht;

  2. grenswaarde Wet geluidhinder:

    1. hogere waarde als bedoeld in artikel IX van het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet;

    2. grenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde op elk punt van de buitengrens van een geluidaandachtsgebied als bedoeld in artikel 12.7, derde lid; en

    3. de ten hoogste toelaatbare waarden van de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein, die op grond van artikel 63, tweede lid, van de Wet geluidhinder door Onze Minister zijn vastgesteld.

Artikel 12.2

  1. In afwijking van de artikelen 3.34, 3.35 en 3.37 tot en met 3.39 wordt een geluidproductieplafond als bedoeld in artikel 3.6, tweede en derde lid, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet als omgevingswaarde vastgesteld op grond van de geluidproductie op het industrieterrein die is toegestaan bij maximale benutting van de grenswaarden Wet geluidhinder.

  2. Bij het bepalen van de in het eerste lid bedoelde geluidproductie:

    1. worden geluidregels die deel uitmaken van de regels van het omgevingsplan voor dat industrieterrein in acht genomen;

    2. wordt rekening gehouden met een voor dat industrieterrein vastgesteld:

      1. zonebeheerplan als bedoeld in artikel 164 van de Wet geluidhinder zoals dat gold op het tijdstip van inwerkingtreding van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet; en

      2. programma als bedoeld in artikel 3.6, vijfde lid, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet; en

    3. worden omgevingsvergunningen voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de wet en de daaraan verbonden voorschriften in acht genomen.

  3. Als door toepassing van het tweede lid, onder a of c, het geluid op een referentiepunt hoger wordt dan het in het eerste lid bedoelde geluid bij maximale benutting van de grenswaarden Wet geluidhinder, wordt het geluidproductieplafond vastgesteld volgens het eerste lid en wordt voor dat geluidproductieplafond artikel 3.46, tweede lid, toegepast.

  4. Een met toepassing van het eerste lid bepaald geluidproductieplafond als omgevingswaarde wordt bij de vaststelling daarvan:

    1. verlaagd met het geluid door spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen als bedoeld in artikel 3.24, tweede lid, onder a; en

    2. verhoogd met het geluid door afgemeerde vaartuigen of drijvende werktuigen, als dat geluid niet eerder is betrokken bij het vaststellen van de grenswaarden Wet geluidhinder.

Artikel 12.2a

  1. Artikel 5.78f is niet van toepassing als de geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld met toepassing van artikel 12.2.

  2. Uiterlijk op het tijdstip, bedoeld in artikel 22.6, derde lid, van de wet, geeft het bevoegd gezag alsnog uitvoering aan artikel 5.78f.

  3. Artikel 5.78g is niet van toepassing als alleen toepassing wordt gegeven aan artikel 12.2.

Artikel 12.3

Als bij het vaststellen van een grenswaarde Wet geluidhinder een aftrek is toegepast als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 zoals dat luidde tot 1 januari 2024, wordt bij het toepassen van artikel 12.2, eerste lid, die grenswaarde verhoogd met de waarde van de aftrek en wordt de geluidproductie op het industrieterrein met diezelfde waarde van de aftrek verminderd.

Artikel 12.4

  1. Als op het tijdstip van de toepassing van artikel 12.2, eerste lid, voor een aanwezig industrieterrein een geluidreductieplan gold als bedoeld in artikel 67 van de Wet geluidhinder, wordt bij de vaststelling van het op grond van artikel 12.2, eerste lid, bepaalde geluidproductieplafond als omgevingswaarde bepaald dat gedurende de in dat geluidreductieplan genoemde termijn niet aan dat geluidproductieplafond hoeft te worden voldaan.

  2. Als bij een aanwezig industrieterrein een aftrek is toegepast als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 zoals dat luidde tot 1 januari 2024 hoeft, in afwijking van artikel 3.44, gedurende een periode van ten hoogste vijf jaar niet te worden voldaan aan het geluidproductieplafond dat is vastgesteld met toepassing van artikel 12.2, eerste lid, waarbij het geluidproductieplafond mag worden overschreden met ten hoogste de waarde van de aftrek.

← terug naar Besluit kwaliteit leefomgeving