1. Het is verboden met een recreatievaartuig een ligplaats in te nemen dan wel een ligplaats voor een recreatievaartuig ter beschikking te stellen.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor;

    1. het kortdurend aanleggen (maximaal 4 uur) op of aan hiervoor van gemeentewege aangelegde voorzieningen, zoals aanlegringen en aanlegsteigers in de periode tussen 08.00 uur en 20.00 uur.

    2. het aanleggen van pleziervaartuigen in jachthavens en/of in hiervoor van gemeentewege aangelegde afmeerboxen of specifiek in het omgevingsplan aangewezen plaatsen.

    3. het aanleggen van commerciële vaartuigen die liggen op hiervoor in het omgevingsplan aangeduide locaties.

    4. verhuurbedrijven die worden geëxploiteerd op hiervoor in het omgevingsplan aangeduide locaties.

  3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt eveneens niet voor het aanleggen van kleine vaartuigen voor zover het aanleggen geschiedt op zodanig wijze dat;

    1. deze niet spontaan los kunnen raken;

    2. de vaargeul te allen tijde vrij blijft;

    3. er geen sprake is van dubbel liggen;

    4. er geen schade kan ontstaan aan bomen, struiken of andere natuurlijke groenvoorzieningen en oevers.

  4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod voor pleziervaartuigen bij woningen die grenzen aan het water, voor zover de eigenaar van het vaartuig tevens de bewoner/eigenaar is van de woning.

  5. Het college kan gebieden aanwijzen waar het in het eerste lid gestelde verbod niet geldt.

  6. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van het aanleggen op plaatsen en aan voorzieningen als bedoeld in het tweede lid en ten aanzien van het aanleggen in gebieden die zijn aangewezen op basis van het vijfde lid.

  7. Het college kan gebieden aanwijzen waar het in verband met bescherming van oevers, het uiterlijk en aanzien van het water en de oevers, of het voorkomen van overlast, verboden is om kleine vaartuigen als bedoeld in het derde, aan te leggen.

  8. Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.

  9. Het in het vorige lid bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer Rijkswaterstaatwerken, het Binnenvaartpolitie-reglement, de Omgevingswet of de Omgevingsverordening Overijssel.