1. Het is verboden de openbare ruimte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als:

    1. het beoogde gebruik gevaar oplevert voor de bruikbaarheid of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud daarvan of schade toebrengt aan de openbare ruimte;

    2. het beoogde gebruik niet kortdurend en niet noodzakelijk is;

    3. van het beoogde gebruik niet ten minste drie werkdagen voorafgaand aan het gebruik melding is gedaan aan het college op een door het college vastgesteld meldingsformulier;

    4. niet wordt voldaan aan de in lid 2 gestelde nadere regels.

  2. Het college kan in het belang van de woon- en leefomgeving en de bruikbaarheid van de openbare ruimte en het doelmatig en veilig gebruik daarvan, nadere regels stellen over handelingen als bedoeld in lid 1. Deze regels hebben betrekking op:

    1. het plaatsen van uitstallingen en reclameobjecten;

    2. het plaatsen van terrasmeubilair en toebehoren.

    3. de bereikbaarheid, leefbaarheid, veiligheid en communicatie bij de uitvoering van bouwprojecten op door het college aangewezen plaatsen.

  3. Het college kan gebieden aanwijzen waar terrasmeubilair en toebehoren mogen worden geplaatst.

  4. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor:

    1. evenementen als bedoeld in artikel 2:24;

    2. uitstallingen en reclameobjecten in winkelcentra of winkelstraten buiten de binnenstad, die zijn geplaatst in overeenstemming met afspraken die door de winkeliersvereniging of door tenminste 70% van de winkeliers zelf, schriftelijk zijn gemaakt en die door het college zijn bekrachtigd;

    3. uitstallingen en reclameobjecten in winkelcentra of winkelstraten buiten de binnenstad waarvoor geen afspraken zijn gemaakt als bedoeld in dit lid onder b, die zijn geplaatst in overeenstemming met artikelen 2 lid a, 3 en 4 van de op basis van lid 2a gestelde nadere regels;

    4. uitstallingen en reclameobjecten in alle overige delen van de stad (inclusief de binnenstad), die voldoen aan de op basis van lid 2a gestelde nadere regels;

    5. verwijsborden die voldoen aan de op basis van lid 2a gestelde nadere regels;

    6. terrasmeubilair en toebehoren ten behoeve van terras waarvoor vergunning is verleend op grond van artikel 2.28 of 2.28a of die zijn geplaatst in de door het college aangewezen gebieden als bedoeld in 2.28a lid 2 en die voldoen aan de op basis van lid 2b gestelde nadere regels;

    7. banners, vlaggen, wimpels of vlaggenstokken, voor zover zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt;

    8. voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijs kortstondig op de weg gebracht worden in verband met het laden en lossen ervan, mits geen schade wordt toegebracht aan de weg, het geen gevaar of belemmering vormt, en de voorwerpen of stoffen onmiddellijk na beëindiging van het laden en lossen, in elk geval voor zonsondergang, van de weg verwijderd worden en de weg hiervan gereinigd is;

    9. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard, voor zover deze geen schade toebrengen aan de weg of geen gevaar of belemmering vormen;

    10. beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of Waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

    11. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.