1. Het is verboden zich in zee te bevinden:

    1. bij onweer;

    2. bij mistdampen op zee, wanneer het zicht vanuit de kust minder dan 200 meter is;

    3. bij aflandige wind met een opblaasboot, luchtbed, of luchtkussen, een autoband of enig ander voorwerp bestemd of gebruikt om zich daarmee drijvende te houden;

    4. op die plaatsen en in de onmiddellijke omgeving daarvan, die door middel van een rode vlag of op andere wijze als gevaarlijk zijn aangeduid.

  2. Een ieder is verplicht onmiddellijk de zee te verlaten, wanneer hem dit door de politie of door een door het college aangewezen ambtenaar wordt bevolen of indien dit door middel van gekleurde vlaggen van het reddingswezen kenbaar wordt gemaakt.

  3. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet hygiëne en veiligheid zwemgelegenheden.