1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester tenzij de openbare inrichting valt onder de in het zesde of zevende lid bedoelde openbare inrichtingen.

  2. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

  4. De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het eerste lid indien de exploitant geen verklaring omtrent gedrag heeft overgelegd die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven.

  5. De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het eerste lid weigeren, wijzigen of intrekken indien sprake is van het geval en onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 3 van de Wet BIBOB.

  6. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in

    1. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit:

    2. een zorginstelling;

    3. een museum:

    4. een bedrijfskantine of- restaurant

  7. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor door de burgemeester middels een aanwijzingsbesluit vrijgestelde soorten openbare inrichtingen.

  8. De burgemeester kan in het aanwijzingsbesluit zoals bedoeld in het zevend lid bepaalde soorten openbare inrichtingen van de vrijstelling uitsluiten.

  9. Openbare inrichtingen die in strijd met het omgevingsplan exploiteren vallen niet onder het aanwijzingsbesluit.

  10. De burgemeester kan besluiten dat de op grond van het zevende lid vrijgestelde openbare inrichtingen niet meer vallen onder het aanwijzingsbesluit indien:

    1. Bij een alcoholvrij en alcoholschenkende openbare inrichting sprake is van het geval en onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 3 van de Wet BIBOB.

    2. De exploitatie van de openbare inrichting zodanig wijzigt/wordt gewijzigd dat deze in strijd is met het omgevingsplan.

  11. Het college kan in het belang van de openbare orde, het woon- en leefklimaat, de veiligheid, de zedelijkheid of de gezondheid nadere regels stellen voor de exploitatie van een openbare inrichting.

  12. De burgemeester kan besluiten dat de op grond van het zevende lid vrij gestelde openbare inrichting alsnog over een horeca-exploitatievergunning dient te beschikken op de gronden zoals genoemd in artikel 1:6 onder a en b. en onverminderd het in 1:8 bepaalde indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.